|
6.1
Inleiding
Als
eerste worden de belangrijkste zaken uit de voorgaande
hoofdstukken samengevat. Hierna wordt aan de hand van de
probleemstelling de conclusie geformuleerd. Vervolgens
komt de maatschappelijke betekenis van het onderzoek aan
de orde en tenslotte worden enkele aanbevelingen gedaan
voor eventueel vervolgonderzoek.
6.2
Samenvatting
In
deze scriptie wordt gezocht naar oorzaken van het gebruik
van genotmiddelen. Het gaat dan om de volgende middelen:
tabak, alcohol, softdrugs, XTC, cocaïne en heroïne. Van
elk middel wordt in hoofdstuk 2 beschreven wat de werking
is en hoe het gebruikt wordt. Hiernaast wordt ingegaan op
de binnenlandse markt en komen zaken aan de orde als
consumptie, distributie en productie. Hoofdstuk twee sluit
af met de constatering dat het gebruik van een middel een
verhoogde kans geeft op het gebruik van een ander middel.
Deze constatering geldt ook voor het gebruik van
softdrugs; hierdoor neemt de kans op harddruggebruik toe.
Dit laatste staat bekend als de ‘stepping stone’
hypothese.
In
hoofdstuk 3 komen een aantal theorieën aan de orde die
betrekking hebben op het consumentengedrag en die mogelijk
van belang zijn voor het gebruik van genotmiddelen. Het
gaat dan om: ‘social learning’, ‘sensation seeking’,
‘locus of control’, ‘tijdsvoorkeur’,
‘zelfmonitoring’ en ‘variety-seeking’. Diverse
onderzoeken brengen ‘social learning’, ‘sensation
seeking’ en ‘locus of control’ in verband met
druggebruik. Hierbij is aangegeven dat ‘locus of control’
vooral in verband gebracht wordt met verslavingen en dat
‘sensation seeking’ voor tenminste 58% aangeboren is.
Voor
een aantal in hoofdstuk 3 genoemde
persoonlijkheidskenmerken is het mogelijk om door middel
van een test vast te stellen of iemand hier hoog of laag
op scoort. Het gaat dan om reeds bestaande testen op
‘sensation seeking’, ‘locus of control’,
‘zelfmonitoring’ en ‘variety-seeking’. Deze testen
zijn, ten behoeve van een uit te voeren survey onder de
bezoekers van een hasjcoffeeshop, uit het Engels vertaald
en ingekort. Hierbij is de ‘variety-seeking’ test
speciaal aangepast aan het druggebruik. Naast de vier
persoonlijkheidstesten zijn ook vragen in de survey
opgenomen die betrekking hebben op algemene demografische
variabelen en op het druggebruik. In totaal worden 150
vragenlijsten uitgereikt en kunnen de respondenten bij het
retourneren hiervan op anonimiteit rekenen. Aan de hand
van de survey worden de 21 in hoofdstuk 4 geformuleerde
hypothesen getoetst. Deze hypothesen hebben vooral
betrekking op de mogelijke aanwezigheid van relaties
tussen persoonlijkheidskenmerken en het gebruik van
middelen.
Uit
de analyse van de survey blijkt dat resultaten van andere
onderzoeken deels bevestigd worden. Zo is ook hier een
significant en positief verband gevonden tussen
‘sensation seeking’ en het gebruik van harddrugs. Er
is echter niets gebleken van een verband tussen het
gebruik van een middel door de ouders en het gebruik van
datzelfde middel door een kind. Hiernaast zijn tevens een
aantal nieuwe zaken gevonden. Zo is bijvoorbeeld
vastgesteld dat ‘zelfmonitoring’ niet of nauwelijks
invloed heeft op het harddruggebruik terwijl het juist zo
voor de hand ligt dat iemand die zich goed kan aanpassen
aan zijn omgeving ook het harddruggebruik van zijn
vrienden overneemt.
Verder
is gebleken dat twee persoonlijkheidskenmerken een
belangrijke rol spelen bij het harddruggebruik. Het gaat
dan om twee dimensies van ‘sensation seeking’, te
weten: ‘disinhibition’ en ‘experience seeking’.
Hierbij is het opmerkelijk dat ze ieder een eigen rol
spelen. Zo is ‘disinhibition’ voornamelijk verbonden
met het maken van vrienden die harddrugs gebruiken en zo
is ‘experience seeking’ voornamelijk verbonden met het
daadwerkelijk overnemen van dit gedrag. Naast de genoemde
persoonlijkheidskenmerken is ook het gebruik van softdrugs
een belangrijke determinant. Uit de analyse blijkt
namelijk dat het gebruik van softdrugs positief en
significant gecorreleerd is met het gebruik van harddrugs
en dat dit softdruggebruik in belangrijkheid op de tweede
plaats komt; na ‘experience seeking’. Er kan nog
opgemerkt worden dat het hier waarschijnlijk om een
oorzakelijk verband gaat; het harddruggebruik wordt dan in
volgorde van belangrijkheid mede veroorzaakt door
‘experience seeking’, het softdruggebruik en ‘disinhibition’.
6.3
Conclusie
De
probleemstelling zoals deze is geformuleerd in hoofdstuk 1
is de volgende:
-
Wat zijn de oorzaken van het gebruik van genotmiddelen?
In
het vervolg van deze paragraaf wordt ingegaan op deze
oorzaken. Eerst komen resultaten van bestaande onderzoeken
aan de orde en daarna de resultaten die voortvloeien uit
de analyse van de survey.
Bestaande
onderzoeken
In
het algemeen doet het gebruik of ooit-gebruik van een
genotmiddel de kans toenemen op het gebruik van andere
middelen (zie hoofdstuk 2). Dit wil echter nog niet zeggen
dit gebruik ook de oorzaak is van de verhoogde kans.
Mogelijk zijn hier achterliggende
persoonlijkheidskenmerken in het spel die de oorzaak zijn
van het gebruik van beide middelen. Vandaar dat op basis
van het voorgaande niet zomaar gesteld kan worden dat het
gebruik van een willekeurig middel ook mede het gebruik
van andere middelen veroorzaakt.
Mazur
(1990), Leventhal en Cleary (1980), Kozlowski (1979) en
Becker (1953) benadrukken het belang van ‘social
learning’ bij het aanleren van het gebruik en misbruik
van diverse middelen. Zo zou ‘social learning’ een rol
spelen bij verslavingen als roken, alcoholisme en
drugmisbruik. Goodwin e.a. (1973) en Bohman e.a. (1981)
tonen echter aan dat bijvoorbeeld aanleg voor alcoholisme
erfelijk bepaald kan zijn. Alcoholisme zou dan niet
aangeleerd zijn maar te wijten aan een genetische
abnormaliteit en vanuit die optiek een ziekte.
Zuckerman
(1994) geeft aan dat er een significante relatie tussen de
SSS en roken is aangetoond en dat de SSS bij jongeren een
significante voorspeller is van misbruik van middelen.
Hiernaast wordt eveneens door Zuckerman een verband gelegd
tussen ‘Sensation Seeking’ en polidruggebruik. Zo zijn
er significante verschillen gevonden tussen de SSS scores
van ‘Non users’, ‘Alcoholgebruikers’, ‘Enkel
Marihuanagebruikers’ en ‘Multidruggebruikers’.
Zuckerman toont verder aan dat deze karaktereigenschap
voor ten minste 58% aangeboren is. Op basis van het
voorgaande kan gesteld worden dat er zeer sterke
aanwijzingen zijn die erop duiden dat ‘sensation seeking’
een oorzaak is van het gebruik van genotmiddelen.
Tenslotte
stellen Mendelson en Mello (1986) dat uit verschillende
onderzoeken blijkt dat alcoholisten, rokers en
drugverslaafden een externe ‘locus of control’
hebben. Zij worden beheerst door hun sigaretten, hun drank
en hun drugs en zij zien zichzelf niet in staat om te
stoppen met het ongezond gedrag.
Samenvattend
worden in de literatuur een aantal mogelijke oorzaken van
het gebruik van genotmiddelen gegeven, te weten ‘social
learning’, erfelijkheid, ‘sensation seeking’ en
‘locus of control’. Hiernaast is tevens het mogelijk
dat het gebruik van een middel voortvloeit uit het gebruik
van een ander middel.
Resultaten
van de analyse
Er
is een positieve en significante correlatie gevonden
tussen harddruggebruik en ‘sensation seeking’ waarbij
het waarschijnlijk om een oorzakelijk verband gaat. Deze
uitkomst is in overeenstemming met wat Zuckerman hierover
stelt. Hierbij is ‘sensation seeking’ positief en
deels ook significant gecorreleerd met het combineren van
middelen. Opvallend sterk is de correlatie tussen het
combineren van alcohol met softdrugs en ‘disinhibition’.
‘Sensation seekers’ hebben dus de neiging harddrugs te
gaan gebruiken en middelen te combineren.
Ook
zijn ‘Sensation seekers’ geneigd relatief veel te
drinken terwijl deze eigenschap niet of nauwelijks invloed
heeft op het aantal blows dat men rookt. Mogelijk heeft
dit te maken met het feit dat alcohol een ontremmende en
cannabis een ontspannende werking heeft. ‘Experience
seekers’ hebben hierbij de neiging op relatief jeugdige
leeftijd met alcohol te beginnen.
De
twee dimensies van ‘sensation seeking spelen ieder een
eigen rol bij het harddruggebruik. Zo is
‘disinhibition’ voornamelijk verbonden met het maken
van vrienden die harddrugs gebruiken en zo is
‘experience seeking’ voornamelijk verbonden met het
daadwerkelijk overnemen van dit gedrag. Naast de genoemde
persoonlijkheidskenmerken is ook het gebruik van softdrugs
een belangrijke determinant. Uit de regressieanalyse
blijkt namelijk dat het gebruik van softdrugs positief en
significant gecorreleerd is met het gebruik van harddrugs.
Het gaat hier waarschijnlijk om een oorzakelijk verband.
Samenvattend wordt het harddruggebruik dus deels
veroorzaakt door ‘experience seeking’,
‘disinhibition’ en het softdruggebruik.
Tenslotte
komt vreemd genoeg uit het onderzoek naar voren dat
‘zelfmonitoring’ en ‘locus of control’ weinig of
geen invloed hebben op het harddruggebruik. Zo geeft hoog
scoren op ‘zelfmonitoring’ niet of nauwelijks een
verhoogde kans op harddruggebruik, combineren van
middelen, snel overstappen naar nieuwe middelen of het
overnemen van het gebruik van vrienden.
Samenvattend
is uit de survey gebleken dat het harddruggebruik deels
verklaard wordt uit ‘experience seeking’,
softdruggebruik en ‘disinhibition’. Het gaat hier
waarschijnlijk om een oorzakelijk verband.
‘Zelfmonitoring’ en ‘locus of control’ hebben
echter weinig of geen invloed op het harddruggebruik.
De
belangrijkste bevindingen zijn weergegeven in de figuren
6.3.1, 6.3.2a en 6.3.2b.



6.4
Maatschappelijke betekenis
In
verband met het middelengebruik zijn de overgang van de
lagere school naar de middelbare school en de leeftijd van
18 jaar belangrijke momenten. Bij de verandering van
school starten relatief veel jeugdigen namelijk met het
roken en op 18 jarige leeftijd, als men de coffeeshop mag
bezoeken, starten er relatief veel met het gebruik van
softdrugs. Met deze kennis kan eventueel rekening gehouden
worden bij de voorlichting.
Op
basis van de geraadpleegde bronnen kan gesteld worden dat
‘social learning’ in het algemeen een rol speelt bij
het gebruik van genotmiddelen. Het is dan ook een goede
zaak dat de overheid soft- en harddruggebruikers
gescheiden wil houden. Hierbij is het opmerkelijk dat
zoveel softdruggebruikers ook harddrugs gebruiken of
hebben gebruikt. Er kan nauwelijks gesteld worden dat
softdruggebruikers door het coffeeshopbeleid gescheiden
worden van de harddruggebruikers. De softdruggebruikers
zijn immers zelf voor een belangrijk deel
harddruggebruiker. Gezien de problematiek kan overwogen
worden de hasjcoffeeshop zijn sociale functie te ontnemen.
Nu hebben de meeste shops nog iets weg van een
jongerensoos met pooltafels en tafelvoetbal. Voor de
toekomst zou gesteld kunnen worden dat een hasjcoffeeshop
bijvoorbeeld meer de vorm van een neutraal verkooppunt
moet hebben.
Op
basis van de score op ‘sensation seeking’ of het
gedrag (bijvoorbeeld roken) kan vastgesteld worden of
iemand een verhoogde kans heeft op het gebruik van
bepaalde middelen. Scoort iemand hoog op ‘sensation
seeking’ dan heeft hij bijvoorbeeld een verhoogde kans
op het gebruik van drugs en op het gebruik van relatief
veel alcohol. Dit soort kennis kan veel waarde hebben bij
het herkennen van risicogroepen en dus ook bij het
voorkomen van druggebruik. Zuckerman (1994) stelt dat het
aanbieden van alternatieve bronnen van opwinding de
opwinding van het druggebruik kunnen vervangen. Hij denkt
aan parachutespringen of een gevarieerde en opwindende
baan. Ook zou men er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen
iedere scholier een opwindend programma aan te bieden, om
zo op de sensatiebehoefte van veel jongeren in te spelen.
Een voordeel hiervan is dat het niet nodig is om
risicogroepen te selecteren.
6.5
Aanvullend onderzoek
Het
onderzoek heeft vrij weinig aandacht besteed aan de
relatie tussen het middelengebruik van de ouders en de
score op de SSS van het kind. Zo zou dieper ingegaan
kunnen worden op bijvoorbeeld de omvang en de duur van het
alcohol- en tabaksgebruik van de ouders. Dit hoeft dan
niet noodzakelijkerwijs een onderzoek onder druggebruikers
te zijn.
Verder
kan nog onderzoek gedaan worden naar de werkzaamheid van
speciale programma’s ten behoeve van mensen die
afgekickt zijn van een verslaving. Het gaat dan om
programma’s die de kick van de drug kunnen vervangen.
Ook kan bij verder onderzoek gedacht worden aan het
selecteren van jongeren met een verhoogd risico. Gekeken
kan worden of het mogelijk is om door middel van een sterk
stimulerend schoolprogramma het percentage rokers en
druggebruikers laag te houden. Tenslotte is in dit
onderzoek weinig aandacht geschonken aan de tijdsvoorkeur
met betrekking tot de gezondheid en in relatie tot SS. Ook
dit verdient zeker aandacht.
|