|
3.1
Inleiding
Zoals
uit hoofdstuk 2 blijkt geeft het gebruik van een
genotmiddel een verhoogde kans op het gebruik van een
ander (‘zwaarder’) middel. Hierbij geldt voor
cannabisgebruikers dat er vaak jaren overheen gaan voordat
de stap van het ‘lichtere’ naar het ‘zwaardere
middel’ wordt gezet.
Voor
wat betreft cannabisgebruikers is het duidelijk dat er
geen lichamelijk bepaalde neiging bestaat om over te
stappen van een ‘lichter’ naar een ‘zwaarder’
middel. Verder is ook met betrekking tot andere
genotmiddelen niet aangetoond dat er een lichamelijk
bepaalde neiging bestaat om op steeds ‘zwaardere’
middelen over te stappen. Nu opeenvolgend gebruik van
genotmiddelen klaarblijkelijk niet een lichamelijk
bepaalde neiging is, wordt onderzocht of dit verschijnsel
verklaard kan worden op basis van één of meer theorieën
die betrekking hebben op het consumentengedrag. Hiernaast
wordt ook meer algemeen gekeken naar oorzaken van het
gebruik van genotmiddelen.
In
het vervolg van dit hoofdstuk komen een aantal relevante consumententheorieën
aan de orde. Eerst wordt ingegaan op nutsmaximalisatie van
consumenten en vervolgens komen reeds bestaande
onderzoeken op het gebied van genotmiddelen aan bod.
3.2
Nutsmaximalisatie
Nut
kan in economisch verband gezien worden als: ".......some
immediate sensation, which possibly cannot and certainly
need not be analyzed any further. In the case of utility
the immediate sensation of preference - of one object or
aggregate of objects against another - provides this
basis" (von Neumann en Morgenstern, 1953).
Economen
nemen veelal aan dat individuen, uit de beschikbare
alternatieven, het alternatief kiezen dat hun nut
maximaliseert (Nicholson, 1985). Deze aanname is niet
strijdig met het voorkomen van filantropie. Dit laatste
kan immers gezien worden als een onderdeel van de
nutsmaximalisatie hypothese; individuen verkrijgen zonder
twijfel nut door in bepaalde omstandigheden goedgeefs
zijn. Volgens de tweede regel van Gossen gaat de consument
bij nutsmaximalisatie onder de nevenvoorwaarde van een
gegeven budget, dat geheel besteed wordt, en gegeven
prijzen, zover tot in alle richtingen het grensnut per
geldeenheid hetzelfde is. Door omwisseling van producten
en het dus anders inzetten van geld kan een consument zijn
totale nutswaarde in een maximum dus niet verder
verbeteren.
Nicholsen
(1985) ziet nut als een maatstaf voor "overall
satisfaction" die niet alleen wordt beïnvloed
door het product maar ook door een variëteit aan andere
factoren. Het gaat hier immers om gedrag van consumenten;
er moet gekozen worden tussen verschillende producten of
combinaties van producten. Het is een grondwet van de
psychologie dat gedrag een functie is van interne en
externe factoren (van Raaij en Antonides, 1997). Interne
factoren hebben betrekking op de persoon zelf: zijn
stemming, interesse, betrokkenheid, kennis, attitude en
andere persoonsfactoren. Externe factoren hebben
betrekking op de situatie; de omgeving waarbinnen een
consument tot een keuze komt. Voorgaande verklaart het
gegeven dat niet iedereen dezelfde keuzen maakt; ieder
persoon kiest op basis van een andere set interne en
externe factoren.
Bij
de "characteristics approach" wordt er
vanuit gegaan dat het nut verbonden is met de kenmerken
van een goed (Antonides, 1996). Het nut is dan geen
functie van hoeveelheden goederen maar van kenmerken of
attributen. De meest in het oog springende kenmerken zoals
die reeds in hoofdstuk 2 naar voren zijn gekomen zijn: de
kick en het gezondheidseffect. Onder kick wordt verstaan: "een
aangename emotie ten gevolge van het gebruik van een
stimulerende stof" (Geerts en Heestermans, 1984).
De aangename emotie vloeit voort uit de werking van het
middel en volgt kort op het gebruik ervan. Deze korte
termijn werking kan bijvoorbeeld oppeppend, ontremmend,
verdovend, gevoelens versterkend, ontspannend of honger
onderdrukkend zijn (zie hoofdstuk 2). Bij het
gezondheidseffect gaat het vooral om een lange termijn
effect zoals bijvoorbeeld: verhoogde kans op longkanker,
lichamelijk verslavend, geestelijk verslavend, grotere
kans op infecties, gewichtsverlies, kans op depressie na
het stoppen. Ook valt niet uit te sluiten dat er op de
korte termijn negatieve gezondheidseffecten ontstaan,
bijvoorbeeld bij een overdosis. Uitgedrukt in een formule
geeft dit de volgende nutsfunctie:
(3.2.1)
U = ƒ (K, G)
U = Nut
K = Kick
G = Verwacht Gezondheidseffect met Verdisconteerde
Tijdsvoorkeur (zie paragraaf 3.4.4)
Om
de overzichtelijkheid te bevorderen wordt in het vervolg
de hierna beschreven wijze van noteren aangehouden. Deze
wijze van noteren is in overeenstemming met wat Bouma (1988)
in ‘Leerboek der bedrijfseconomie’ aangeeft.
(3.2.2)
U = U (K, G)
Een
consument kan zijn nut vergroten door meer van het
genotmiddel te gebruiken om zodoende de kick te vergroten.
Meer gebruiken werkt echter waarschijnlijk nadelig op het
verwacht gezondheidseffect: de toekomstige gevolgen zijn
naar verwachting wellicht ernstiger of komen naar
verwachting eerder in de tijd. Ook is denkbaar dat het nut
wordt vergroot door naast het initiële middel een middel
te gebruiken dat de kick versterkt of juist afremt. Dit
laatste, als de kick zo sterk is dat een afname van de
kick als een toename van het nut wordt ervaren. Het
gebruik van verschillende middelen, kort op elkaar, kan
dus mogelijk een vergroting van het nut veroorzaken. Dit
kan een verklaring zijn voor de neiging tot het combineren
van middelen met een tegengestelde of versterkende
werking; de middelen zijn complementair. Mogelijk vindt er
door dit combineren wederom een beïnvloeding van het te
verwachten gezondheidseffect plaats. Tenslotte is het
denkbaar dat ook de kick wordt beïnvloed door het te
verwachten gezondheidseffect; het vooruitzicht van een
onaangename ziekte heeft mogelijk een negatieve invloed op
de aangename emotie die zou moeten ontstaan door de
werking van het middel. Gevat in een formule zien de
veronderstelde samenhangen met betrekking tot de kick en
het verwacht gezondheidseffect er als volgt uit:
(3.2.3)
K = K (I, V, C, G)
I
= Hoeveelheid van het initieel middel
V
= Hoeveelheid van het versterkend middel
C
= Hoeveelheid van het contra middel
(3.2.4)
G = G (I, V, C)
Samenvoeging
van 3.2.3 en 3.2.4 met 3.2.2 geeft de volgende formule:
(3.2.5)
U = U (K (I, V, C, G (I, V, C)), G (I, V, C))
3.3
Interne en externe factoren
Het
nut wordt niet alleen beïnvloed door het product of
combinatie van producten maar ook door een variëteit aan
andere factoren (Nicholsen, 1985), hierna te noemen
interne en externe factoren. Interne factoren hebben
betrekking op de persoon zelf: zijn stemming, interesse,
betrokkenheid, kennis, attitude en andere
persoonsfactoren. Externe factoren hebben betrekking op de
situatie; de omgeving waarbinnen een consument tot een
keuze komt.
Interne
en externe factoren hebben direct invloed op de kick. Het
is bijvoorbeeld bekend dat THC de stemming versterkt (zie
hoofdstuk 2). Wie zich niet zo gelukkig voelt, kan zich er
nog rotter door gaan voelen. Bij iemand die zich goed
voelt, valt het echter meestal prettig; hij wordt er
‘high’ van. Een interne factor, namelijk de stemming,
heeft in dit geval invloed op de kick. Hierbij is ook
bekend dat THC de waarneming beïnvloedt; kleuren en
muziek worden intenser ervaren. De omgeving, een externe
factor, kan de ervaring en dus ook de hieruit
voortvloeiende kick beïnvloeden.
Interne
en externe factoren hebben ook direct invloed op het
verwacht gezondheidseffect. Interne factoren zoals
bijvoorbeeld persoonlijkheidskenmerken beïnvloeden de
verwachting; betreft het hier een optimistisch dan wel
pessimistisch persoon. Ook de omgeving waarin een
consument verkeert kan invloed hebben op het
gezondheidseffect; heeft iemand bijvoorbeeld voldoende financiële
middelen om voor zichzelf te zorgen en kan hij, door
bijvoorbeeld goede voeding of medicijnen, de schadelijke
effecten van het gebruik van een drug beperken. Interne en
externe factoren hebben dus naast de invloed op de kick
ook invloed op het verwacht gezondheidseffect.
Iedere
consument zal vervolgens op geheel eigen wijze bepalen
welk nut voortvloeit uit de kick en het verwacht
gezondheidseffect. Ook hier beïnvloeden interne en
externe factoren de uitkomst. Uitgaande van formule 3.2.5
ziet dit er als volgt uit:
(3.3.1)
U = U (K (I, V, C, G (I, V, C, IF, EF), IF, EF), G (I, V,
C, IF, EF), IF, EF)
IF = Interne factoren
EF = Externe factoren
3.4
Resultaten van onderzoek
Een
groot aantal wetenschappers heeft al onderzoek gedaan naar
het gebruik van genotmiddelen. Dit betreft vooral de
volgende onderzoeksgebieden: ‘social learning’,
‘sensation seeking’, ‘locus of control’ en
‘tijdsvoorkeur’. Verder wordt, wegens de mogelijke
invloed op ‘social learning’, ook naar
‘zelfmonitoring’ gekeken en tenslotte wordt op
‘variety-seeking’ ingegaan. Dit laatste omdat aan de
hand van deze theorie mogelijk een verklaring gevonden kan
worden voor het overstappen van het ene genotmiddel naar
het andere.
3.4.1
Social learning
Heeft
men eenmaal een verslaving dan zorgt het eenvoudige
principe van beloning en bestraffing ervoor dat de
verslaving in stand wordt gehouden; het niet nemen van het
middel zorgt voor vervelende ontwenningsverschijnselen
en/of gemis van een fijn gevoel. Voordat de verslaving een
feit is moet echter eerst een barrière overwonnen worden;
het eerste trekje van een sigaret is bijvoorbeeld over het
algemeen een vervelende ervaring die gepaard gaat met een
scherp brandend gevoel. Een vraag die zich vervolgens
opdringt is de volgende: waarom neemt iemand een tweede
sigaret als de eerste zo een vervelend effect heeft?
Mazur
(1990) geeft aan dat alles erop duidt dat ‘social
learning’ bij verslavingen als roken, alcoholisme en
drugmisbruik een rol speelt. Hij geeft het volgende
voorbeeld van ‘observational learning’: "Veel
kinderen zien op erg jonge leeftijd rokende ouders,
broers, zussen, televisiepersoonlijkheden en andere
rokers. Het gevolg hiervan is dat roken geassocieerd wordt
met positieve zaken als volwassenheid, aantrekkelijkheid
en raffinement. Deze voordelen doen het lichte branden in
de keel misschien teniet". Hierbij kan het ook zo
zijn dat een jongere grote druk voelt vanuit de groep
waarin hij of zij zich beweegt om te gaan roken (‘social
reinforcement’). De groep kan niet-rokers bijvoorbeeld
belachelijk maken en rokers juist aanmoedigen.
De
twee genoemde factoren, ‘observational learning’ en
‘social reinforcement’ worden regelmatig genoemd als
oorzaak van het beginnen met roken. Correlaties tussen de
neiging tot roken en het roken van ouders, partner of
referentiegroep zijn herhaaldelijk aangetoond (Kozlowski,
1979; Leventhal en Cleary, 1980).
‘Social
learning’ lijkt ook van belang te zijn bij het
ontwikkelen van alcoholisme en drugmisbruik. Bijvoorbeeld
20% van alle heroïneverslaafden heeft ййn of
meer familieleden die ook verslaafd zijn aan de heroïne (Mazur,
1990). Bij alcoholisten is weer aangetoond dat de ouders
de neiging hebben om of geheelonthouders te zijn of zware
drinkers (Mazur, 1990). De ouders hebben het kind in beide
gevallen dus niet geleerd om drankgebruik in de hand te
houden. Ook Becker (1953) geeft aan dat ‘social learning’
van belang is bij het starten van een verslaving: ".......novice
drug users must learn from their more experienced peers
how to detect and respond to the pharmacological
properties of marijuana, LSD, and opiates".
Men
zou uit het voorgaande de conclusie kunnen trekken dat het
bij gebruik van genotmiddelen om uitsluitend aangeleerd
gedrag gaat. Onderzoek bij geadopteerde kinderen heeft
echter aangetoond dat zowel bij jongetjes als bij meisjes
aanleg voor alcoholisme erfelijk bepaald kan zijn (Goodwin
e.a., 1973; Bohman e.a., 1981). Geadopteerde kinderen
waarvan de natuurlijke ouders alcoholisten zijn blijken
zelf een verhoogde kans op dit gedrag te hebben.
Alcoholisme zou dan te wijten zijn aan een genetische
abnormaliteit en is vanuit die optiek een ziekte.
3.4.2
Sensation Seeking
Zuckerman
(1994) definieert ‘Sensation Seeking’ als: "the
seeking of varied, novel, complex and intense sensations
and experiences, and the willingness to take physical,
social, legal and financial risks for the sake of such
experience". Mensen variëren in de mate waarin
ze dit doen en dit verschil is ook stabiel; het gaat
volgens Zuckerman om een verschil in persoonlijkheid. Hij
stelt op basis van onderzoek, waarbij gebruik gemaakt is
van een grote populatie tweelingen (n = 442 paar), dat
‘sensation seeking’ misschien wel voor 58% aangeboren
is. "Applying the Jinks en Fuller biometric method
of analysis to the data on identical and fraternal
same-sex twins, the results showed that 58% of the general
sensation-seeking trait is heritable. The remaining
variation (42%) is due to specific or nonshared
environmental influences and error of trait measurement.
If the unreliability component is taken into account, the
heritability of sensation-seeking increases to 69%" aldus
Zuckerman (1994).
Op
basis van een complexe biologische analyse stelt Zuckerman
dat hoog scoren op ‘sensation seeking’ negatief
gecorreleerd is met de aanwezigheid van monoamine oxidose
(MAO). Het gaat hier om een enzym dat betrokken is bij het
reduceren van het niveau van monoamine neurotransmitters
in de hersenen. Hierdoor neemt het extrovert gedrag, dat
de meeste ‘sensation seekers’ vertonen, af. Zuckerman
stelt vervolgens dat een laag MAO niveau geassocieerd is
met een relatief groot gebruik van tabak, alcohol en
drugs. Ook worden in dit verband een aantal ziekten
genoemd en het deelnemen aan criminele activiteiten.
De
‘Sensation Seeking Scale’ meet individuele verschillen
tussen personen. Zuckerman (1994) heeft zes versies van de
‘Sensation Seeking Scale’ ontwikkeld waarbij de nadruk
op versie vijf (SSS-V) ligt. SSS-V is zo geconstrueerd dat
niet alleen een algemeen beeld verkregen wordt van de mate
van ‘Sensation Seeking’ door middel van een totale
score maar dat ook een score verkregen kan worden voor de
subschalen: ‘Experience Seeking’, ‘Thrill and
Adventure Seeking’, ‘Boredom Susceptibility’ en ‘Disinhibition’.
Tabel
3.4.2.1 laat de vergelijking zien tussen mannelijke en
vrouwelijke studenten uit vier verschillende landen. De
data voor dit onderzoek is midden tachtiger jaren
verzameld. In Spanje is gebruik gemaakt van een vertaling
van de SSS-V test. Mannen scoorden significant hoger op
Totaal, TAS en BS in alle vier de landen en op Dis in
Amerika, Canada en Spanje. Er zijn geen significante
verschillen tussen mannen en vrouwen op ES, met
uitzondering van Canada waar mannen significant hoger
scoorden dan vrouwen.

Een
groot deel van Zuckerman’s boek (1994) gaat over
onderzoek naar externe correlaties met ‘sensation
seeking’. Hierna volgt een onvolledige lijst van zaken
die gecorreleerd zijn met ‘sensation seeking’:
migratie, bloeddonatie, bereidheid om aan experimenten
deel te nemen, snelheid in het verkeer, druggebruik
inclusief alcohol en sigaretten, deelname aan sporten met
een hoog risico, risicovol seksueel gedrag bij mannen,
zappen, intelligentie, en nieuwsgierigheid naar morbide en
seksuele gebeurtenissen.
Uit
een Engels onderzoek, dat door Zuckerman (1994) is
uitgevoerd, blijkt dat de SSS score min of meer lineair
afneemt naarmate de onderzoeksgroep uit oudere personen
bestaat; de respondenten variëren in leeftijd van 16 jaar
tot boven de 60 jaar. De gevonden scores van de vrouwen
zijn in iedere leeftijdsgroep steeds significant kleiner
dan de scores van de mannen. Een in Australië uitgevoerd
onderzoek geeft een iets ander beeld. Voor de
leeftijdsgroep van 30-39 scoren de vrouwen iets hoger dan
de mannen. Dit komt vooral doordat de Australische vrouwen
een toename van ES laten zien tot en met de leeftijdsgroep
van 30-39 jaar. Alle andere subschalen vertonen gewoon een
significante afname bij het toenemen van de leeftijd.
In
veel landen is een significante relatie tussen de SSS en
roken aangetoond. Van zowel mannen als vrouwen die hoog
scoren voor ‘Sensation Seeking’ rookt een groter deel
dan laag scorende mannen en vrouwen. Verder geeft
Zuckerman aan dat de SSS bij jongeren een significante
voorspeller is van misbruik van middelen. ".........the
SSS was used with the items referring to alcohol or drugs
deleted from the scores used in the analyses. Sensation
seeking significantly predicted overall lifetime and
current substance use, but trait and state anxiety and
depressive mood did not. The same results were found at
every age from 14 to 17 with the exception of a weak but
significant negative relationship between depressive mood
and substance use at age 14. Sensation seeking was higher
in early users of wine, beer, hard liquor, hashish, and
depressant drugs, but trait and state anxiety and
depressive mood were related only to use of depressant
drugs" aldus Zuckerman.
Door
Zuckerman wordt ook een verband gelegd tussen ‘Sensation
Seeking’ en polidruggebruik. Hij stelt het volgende: "Sensation
seekers are looking for variety and intensity of
experiences and therefore are more likely to be polydrug
users, at least in their younger years. Later the polydrug
user may become dependent on one particular drug and use
that one exclusively. However, many users go back and
forth from drugs to alcohol depending on the availability
of the former". Zo zijn er significante
verschillen gevonden tussen de SSS scores van ‘Non users’,
‘Alcoholgebruikers’, ‘Enkel Marihuanagebruikers’
en ‘Multidruggebruikers’. Bij dit onderzoek is gebruik
gemaakt van een aangepaste SSS; alle vragen die betrekking
hebben op drug- en alcoholgebruik zijn uit de schaal
verwijderd.
De
conclusie kan getrokken worden dat er zeer sterke
aanwijzingen zijn die erop duiden dat ‘sensation seeking’
een oorzaak is van het gebruik van genotmiddelen. Uit tal
van onderzoeken komt immers een significant verband naar
voren tussen ‘sensation seeking’ en het gebruik van
genotmiddelen. Hierbij stelt Zuckerman dat deze
karaktereigenschap voor ten minste 58% aangeboren is.
Voordat iemand begint met het gebruik van genotmiddelen is
hij dus over het algemeen al een ‘sensatiezoeker’. Het
één volgt op het ander en is ook gecorreleerd met het
ander. Dit geeft sterk de indruk dat er een oorzakelijk
verband bestaat tussen ‘sensation seeking’ en het
gebruik van genotmiddelen. Deze indruk wordt verder
versterkt doordat het ook zo goed denkbaar is dat een
‘sensatiezoeker’ met genotmiddelen experimenteert (zie
het citaat van Zuckerman in de voorgaande alinea).
3.4.3
Variety-seeking
Van
Trijp (1995) maakt verschil tussen ‘derived
varied behavior’ en ‘variety-seeking behavior’. Bij
‘derived varied behavior’ is het motief, van
verandering in gedrag, extrinsiek. "The term
‘derived varied behavior’ denotes extrinsically
motivated variation in behavior. In such instances, value
is not inherent in variation per se, but rather is derived
from the more or less delayed consequences that are a
result of variation in behavior" aldus van Trijp.
Hij noemt in dit kader de volgende motieven:
‘situational/normative motives’, ‘problem solving
motives’ en het ‘reversion-motive’.
Als
variatie in gedrag een doel op zich is spreekt van Trijp
over ‘variety-seeking behavior’. Hij stelt de volgende
definitie voor: "the biased behavioral response by
some decision making unit to a specific item relative to
previous responses within the same behavioral category, or
to a set of items consumed simultaneously, due to the
utility inherent in variation per se, independent of the
instrumental or functional value of the alternatives or
items, and is a function of psychological processes"
Consumenten
verschillen in de mate waarin zij nut ontlenen aan
variatie op zich. Deze persoonlijkheidskarakteristiek
wordt aangemerkt als ‘variety-seeking tendency’ en is
een afgeleide van een meer algemene
persoonlijkheidskarakteristiek aangeduid als ‘Optimum
Stimulation Level’ (OSL). De ‘variety-seeking tendency’
onderscheidt zich echter van OSL in haar meer specifieke
karakter; het heeft betrekking op de neiging van
consumenten om variatie in productkeuze aan te wenden als
methode om het actuele niveau van stimulatie (ASL) in
overeenstemming te brengen met hun OSL. Van Trijp (1995)
definieert de ‘variety-seeking tendency’ als volgt: "the
motivational factor that aims at providing variation in
stimulation through varied product consumption,
irrespective of the instrumental or functional value of
the product alternatives".
De
‘variety-seeking tendency’ vloeit voort uit het feit
dat de hedonische waarde, ontleend aan alternatieven, kan
veranderen onder invloed van eerdere consumptie. Van Trijp
(1995) identificeert drie psychologische processen die
verantwoordelijk kunnen zijn voor de veranderde waarde:
1.
Verveling met de keuzetaak.
2.
Attribuut verzadiging.
3.
Nieuwsgierigheid.
Hierna
wordt kort ingegaan op de drie genoemde psychologische
processen.
Verveling
met de keuzetaak
Consumenten
proberen in de loop van de tijd het keuzeproces te
vereenvoudigen tot een routinehandeling (van Trijp, 1995).
Als dit proces van vereenvoudiging succesvol is verlopen
zal de aankoop niet meer als een uitdaging gezien worden;
er ontstaat een discrepantie tussen ASL en OSL. Door de
optredende verveling vermindert vervolgens de
aantrekkelijkheid van het eerder gekozen alternatief ten
opzichte van alle andere alternatieven. De situatie kan
zich dan voordoen dat een keuzealternatief, waarvoor de
consument een lagere langetermijn preferentie heeft dan
voor het vorige gekozen alternatief, op een bepaald
keuzemoment conditioneel toch aantrekkelijker is.
Attribuut
verzadiging
Consumenten
raken verzadigd aan één of meer specifieke
productattributen die door herhaalde consumptie regelmatig
geleverd worden. Als gevolg van deze attribuutverzadiging
verandert de evaluatieve beoordeling van ййn
of meer hedonische attributen onder invloed van eerdere
consumptie en ontstaat er wederom een discrepantie tussen
ASL en OSL.
Nieuwsgierigheid
De
behoefte om de informatiekloof te dichten tussen wat men
weet en wat men wenst te weten, kan de aantrekkelijkheid
van een alternatief verhogen tot boven een niveau dat men
zou verwachten op basis van de productattributen. Door
nieuwsgierigheid ontstaat een enigszins superoptimaal
niveau van stimulatie. Bevrediging van deze
nieuwsgierigheid doet het ASL afnemen waardoor het meer in
overeenstemming komt met het optimaal niveau.
Van
Trijp (1995) heeft een instrument ontwikkeld, de
‘VARSEEK-scale’, om de ‘variety-seeking tendency’
van consumenten voor wat betreft de voeding te kunnen
meten. Deze vijfpunts Likertschaal bevat 8 onderdelen
waarover de respondent een oordeel moet geven van
‘helemaal mee eens’ tot ‘helemaal mee oneens’. De
‘VARSEEK-scale’ is significant (p<0,001)
gecorreleerd met ‘Sensation Seeking’: Pearson’s r =
0,357.
Het
is denkbaar dat ook gebruikers van genotmiddelen een
‘variety-seeking tendency’ vertonen. De drie eerder
genoemde psychologische processen kunnen dan geheel of
gedeeltelijk verantwoordelijk zijn voor het overstappen
van het ene naar het andere genotmiddel.
3.4.4
Locus of control
Het
concept van ‘locus of control’ is ontwikkeld
door de psycholoog Julian Rotter (1982). Mensen kunnen in
de visie van Rotter een ‘external’ of ‘internal
locus of control’ hebben. Het verschil tussen beide
verduidelijkt hij op de volgende wijze: "When a
reinforcement is perceived by the subject as following
some action of his own but not being entirely contingent
upon his action, then, in our culture, it is typically
perceived as the result of luck, chance, fate, as under
the control of powerful others, or as unpredictable
because of the great complexity of the forces surrounding
him. When the event is interpreted in this way by an
individual, we have labeled this a belief in external
control. If the person perceives that the event is
contingent upon his own behavior or his own relatively
permanent characteristics, we have termed this a belief in
internal control". Als een persoon meer de
neiging heeft om te denken dat een gebeurtenis het gevolg
is van het eigen handelen of de eigen
karaktereigenschappen (interne factoren) wordt dit door
Rotter dus betiteld als een geloof in ‘internal
control’. Hiertegenover staat het geloof in ‘external
control’; als een persoon nu juist meer de neiging heeft
om te denken dat een gebeurtenis niet het gevolg is van
het eigen handelen of de eigen karaktereigenschappen maar
van andere factoren (externe factoren). Deze externe
factoren kunnen bijvoorbeeld zijn: andere mensen, het
weer, geluk, ongeluk, de organisatie, de regering, enz.
Interne factoren zijn bijvoorbeeld: eigen kunnen, intuïtie,
zelfverzekerdheid, wilskracht, enz.
Uit
Rotters onderzoek komt naar voren dat individuen met een
‘internal locus of control’ productiever zijn dan zij
met een ‘external locus of control’. Ze zoeken naar
informatie en zijn doelgericht met als gevolg dat ze over
het algemeen goed met problemen om kunnen gaan. Rotter
zegt hierover onder andere het volgende: "A series
of studies provides strong support for the hypotheses that
the individual who has a strong belief that he can control
his own destiny is likely to (a) be more alert to those
aspects of the environment which provide useful
information for his future behavior; (b) take steps to
improve his environmental condition; (c) place greater
value on skill or achievement reinforcements and be
generally more concerned with his ability, particularly
his failures; and (d) be resistive to subtle attempts to
influence him". Het kan verder voorkomen dat
iemand een ‘internal locus of control’ voelt voor een
deel van zijn leven en voor een ander deel juist een
‘external locus of control’; in het gezin voelt hij
zich bijvoorbeeld zelfverzekerd maar op z’n werk heeft
hij te maken met een reorganisatie waar hij geen vat op
heeft.
Aan
de andere kant vertonen individuen met een ‘external
locus of control’ tekenen van apathie en toegeeflijkheid
en ze geloven hierbij dat ze weinig of geen controle
hebben over hun omgeving. Verder zullen mensen met een
‘external locus of control’ minder snel geneigd zijn
actie te ondernemen om zodoende hun leven in eigen hand te
nemen omdat ze de overtuiging hebben dat dit zinloos zal
zijn. Rotter is van mening dat veel
persoonlijkheidskenmerken onveranderlijk zijn maar dat de
‘locus of control’ ten goede veranderd kan worden van
‘external’ naar ‘internal’.
Mendelson
en Mello (1986) geven in verschillende onderzoeken aan dat
alcoholisten, rokers en drugverslaafden een externe
‘locus of control’ hebben. Zij worden beheerst
door hun sigaretten, hun drank en hun drugs en zij zien
zichzelf niet in staat om te stoppen met het ongezond
gedrag. Ook kan het zijn dat ze niet geloven dat ze door
het stoppen hun gezondheid gunstig kunnen beïnvloeden.
Deze mensen zijn verder eenvoudig te beïnvloeden door
omgevingsfactoren en zij zien niet dat ze de mogelijkheid
hebben hun druggebruik te beheersen.
3.4.5
Tijdsvoorkeur
Over
het algemeen heeft een gulden nu meer waarde dan een
gulden over een jaar; er is sprake van een positieve
tijdsvoorkeur. In de economie wordt met dit gegeven
rekening gehouden bij het berekenen van de netto contante
waarde van een investering.
Ook
voor gezondheidsproblemen geldt een tijdsvoorkeur; zie
formule 3.4.5.1 (Antonides, 1996). Uit onderzoek is een
significante correlatie gebleken tussen roken en
tijdsvoorkeur (tijdsvoorkeur met betrekking tot de
gezondheid).
(3.4.5.1)
G0 = Gt * (1 / (1+r))t
G = Gezondheidsprobleem
r = disconteringsvoet
3.4.6
Zelfmonitoring
Waarderealisatie
vindt niet plaats bij de productie of verkoop van een
product maar vooral bij het expressieve gebruik van
producten en merken; consumenten zijn ook ‘merken in de
markt’. In een proces van ‘zelfmarketing’
positioneren ze zich, maken zich populair bij anderen en
versterken en onderhouden hun imago’s. Mensen die hoog
scoren op dit zogenoemde zelfmonitoring letten bij hun
gedrag vooral op of het passend is in de gegeven situatie.
Eigen voorkeuren, normen en waarden zijn dan van minder
belang (van Raaij en Antonides, 1997).
Door
middel van de ‘zelfmonitoring schaal’ kan de neiging
tot zelfmonitoring van personen of groepen gekwantificeerd
worden. Deze schaal bevat 25 juist-onjuist vragen over,
onder andere, geschetste situaties en de zelfpresentatie
van de respondent (Snyder, 1987). Snyder heeft
overigens ook een 18 puntsschaal ontwikkeld waarbij een
aantal niet-discriminerende vragen zijn weggelaten.
Snyder
(1987) brengt het hoog scoren op de zelfmonitoring schaal
onder andere in verband met succesvolle advocaten,
diplomaten, verkopers, managers, bemiddelaars, overgewicht
en ontrouw in het huwelijk. Mensen die laag scoren op
zelfmonitoring zijn weer meer geschikt voor beroepen waar
de individuele prestatie meer op de voorgrond staat en
verder zijn ze trouwer in de relatie en hebben ze minder
last van overgewicht.
Ook
de neiging tot zelfmonitoring is voor een belangrijk deel
genetisch bepaald. Uit onderzoek van Gangestad (Snyder,
1987), dat gehouden is onder 149 paar eeneiige en 76 paar twee-eiige
tweelingen van dezelfde sekse, blijkt dat 95% van de
eeneiige tweelingen van hetzelfde type is terwijl dit
percentage voor de twee-eiige tweelingen slechts 74% is.
Het is dus zo dat twee personen, die samen een eeneiige
tweeling vormen, bijna altijd van hetzelfde type zijn.
Sommige tweelingen die erg op elkaar lijken en waarvan
gedacht wordt dat ze eeneiig zijn blijken bij nader
onderzoek niet eeneiig maar twee-eiig te zijn. Als deze
‘onechte’ eeneiige tweelingen vervolgens, door middel
van bloedproeven en vingerafdrukken, uit de groep
verwijderd worden blijkt dat zelfs 99% van de ‘echte’
eeneiige tweelingen van hetzelfde type is. Dit is een
bevestiging van een eerder door Dworkin in 1977 uitgevoerd
onderzoek onder tweelingen.
In
aanvang is het enige verschil tussen de groep eeneiige en
de groep twee-eiige tweelingen, dat de eerstgenoemde groep
genetisch identieke stellen bevat en de laatstgenoemde
groep niet. Het feit dat in de groep eeneiige tweelingen
bijna alleen stellen voorkomen waarvan beide leden van
hetzelfde type zijn, terwijl dit in de andere groep niet
het geval is, moet hiervan dus het gevolg zijn.
Criticasters stellen echter dat het verschil tussen de
groepen niet veroorzaakt wordt door een gelijkheid versus
ongelijkheid van genen maar door een gelijkheid versus
ongelijkheid in omgeving. De twee leden van een eeneiige
tweelingen hebben in hun visie met een vrijwel identieke
omgeving te maken terwijl dit voor de leden van een twee-eiige
tweeling minder het geval zou zijn; er wordt bijvoorbeeld
vaker identiek gekleed bij eeneiige tweelingen. Hierdoor
zouden de leden van een identieke tweeling ook van
hetzelfde psychologische type zijn (met betrekking tot de
zelfmonitoring). Als echter gekeken wordt naar twee-eiige
tweelingen die ten onrechte voor eeneiig zijn doorgegaan
dan is gebleken dat in deze groep toch relatief veel
tweelingen voorkomen waarvan de leden van een ander
psychologisch type zijn. Een identieke omgeving zorgt er
niet voor dat de twee leden van een tweeling ook van
hetzelfde type zijn. Snyder trekt de volgende conclusies: "If
we are to believe the twin studies, genetic influences
are, if not exclusively, then at least substantially
implicated in the origins of self-monitoring" en "Thus,
in the case of self-monitoring, there seems to be little
reason to attribute the differences between identical and
fraternal twins to differences in their environments".
Ondanks
dat de twee leden van een eeneiige tweeling in bijna alle
gevallen van hetzelfde type zijn en dat genetische aanleg
dus een rol moet spelen, bewijst het tweelingenonderzoek
niet dat omgevingsfactoren geen invloed hebben op de
persoonlijkheid. Het is bijna ondenkbaar dat een in aanleg
aanwezige persoonlijkheid totaal niet beïnvloed zou
kunnen worden door omgevingsfactoren. Ook Snyder (1987)
geeft aan dat zelfmonitoring niet iets statisch is, maar
dat uit onderzoek is gebleken dat het gedrag door ervaring
of training wel degelijk beïnvloed kan worden: "After
all best estimates tell us that the latent self-monitoring
causal variable accounts for about 50 percent of the
variation between people in expressive self-control. Thus,
even if biological-genetic influences do account for that
50 percent, the person least disposed by those
biological-genetic influences to be high in
self-monitoring still could learn the skills needed to
exercise self-control over his or her expressive behavior
and self-presentations".
Zelfmonitoring
is bij dit onderzoek betrokken omdat het voor de hand ligt
om te denken dat iemand die hoog scoort op dit punt - en
zich dus sterk aanpast aan de sociale omgeving - ook
sneller het gebruik van allerlei genotmiddelen over zal
nemen dan iemand die laag scoort. Het kan dus zijn dat de
score op zelfmonitoring positief gecorreleerd is met
‘social learning’.
3.5
Conclusie
Zoals
in hoofdstuk 2 is gebleken geeft het gebruik van een
genotmiddel een verhoogde kans op het gebruik van een
ander middel. Mogelijk heeft dit mede te maken met het
gegeven dat bepaalde middelen complementair zijn; ze
versterken elkaar of werken juist tegengesteld.
Het
nut van het gebruik van genotmiddelen wordt voor een deel
bepaald door de kick van het middel en de
gezondheidseffecten. Hiernaast hebben een aantal interne
en externe factoren invloed. In dit hoofdstuk zijn de
volgende interne en externe factoren aan de orde gekomen:
Externe
factor:
-
‘Social learning’ in de vorm van ‘observational
learning’ en ‘social reinforcement’.
Interne
factoren:
-
Tijdsvoorkeur.
-
‘Sensation Seeking’.
-
‘Locus of control’.
-
‘Zelfmonitoring’ (een mogelijke factor).
-
‘Variety-seeking’ (een mogelijke factor).
‘Social
learning’ wordt als een oorzaak van drinken, roken en
druggebruik gezien. Hierbij is een interessant feit dat
iemand die zwaar cannabis gebruikt ook een sterk verhoogde
kans op het gebruik van cocaïne heeft. Klaarblijkelijk
begeven veel zware cannabisgebruikers zich dus in kringen
waar ze het cocaïnegebruik kunnen leren. Dit terwijl het
coffeeshopbeleid erop gericht is harddruggebruikers
gescheiden te houden van softdruggebruikers.
Onderzoeksresultaten
duiden in de richting van de aanwezigheid van een
oorzakelijk verband tussen ‘sensation seeking’ en het
gebruik van genotmiddelen. Hierbij stelt Zuckerman tevens
dat ‘sensation seeking’ voor ten minste 58% aangeboren
is.
Van
rokers, alcoholisten en drugverslaafden is bekend dat ze
een externe ‘locus of control’ hebben. Er is dus een
verband tussen bepaalde verslavingen en ‘locus of
control’.
|