Consumentengedrag

3.1 Inleiding

Zoals uit hoofdstuk 2 blijkt geeft het gebruik van een genotmiddel een verhoogde kans op het gebruik van een ander (‘zwaarder’) middel. Hierbij geldt voor cannabisgebruikers dat er vaak jaren overheen gaan voordat de stap van het ‘lichtere’ naar het ‘zwaardere middel’ wordt gezet.

 

Voor wat betreft cannabisgebruikers is het duidelijk dat er geen lichamelijk bepaalde neiging bestaat om over te stappen van een ‘lichter’ naar een ‘zwaarder’ middel. Verder is ook met betrekking tot andere genotmiddelen niet aangetoond dat er een lichamelijk bepaalde neiging bestaat om op steeds ‘zwaardere’ middelen over te stappen. Nu opeenvolgend gebruik van genotmiddelen klaarblijkelijk niet een lichamelijk bepaalde neiging is, wordt onderzocht of dit verschijnsel verklaard kan worden op basis van één of meer theorieën die betrekking hebben op het consumentengedrag. Hiernaast wordt ook meer algemeen gekeken naar oorzaken van het gebruik van genotmiddelen.

 

In het vervolg van dit hoofdstuk komen een aantal relevante consumententheorieën aan de orde. Eerst wordt ingegaan op nutsmaximalisatie van consumenten en vervolgens komen reeds bestaande onderzoeken op het gebied van genotmiddelen aan bod.

 

3.2 Nutsmaximalisatie

Nut kan in economisch verband gezien worden als: ".......some immediate sensation, which possibly cannot and certainly need not be analyzed any further. In the case of utility the immediate sensation of preference - of one object or aggregate of objects against another - provides this basis" (von Neumann en Morgenstern, 1953).

 

Economen nemen veelal aan dat individuen, uit de beschikbare alternatieven, het alternatief kiezen dat hun nut maximaliseert (Nicholson, 1985). Deze aanname is niet strijdig met het voorkomen van filantropie. Dit laatste kan immers gezien worden als een onderdeel van de nutsmaximalisatie hypothese; individuen verkrijgen zonder twijfel nut door in bepaalde omstandigheden goedgeefs zijn. Volgens de tweede regel van Gossen gaat de consument bij nutsmaximalisatie onder de nevenvoorwaarde van een gegeven budget, dat geheel besteed wordt, en gegeven prijzen, zover tot in alle richtingen het grensnut per geldeenheid hetzelfde is. Door omwisseling van producten en het dus anders inzetten van geld kan een consument zijn totale nutswaarde in een maximum dus niet verder verbeteren.

 

Nicholsen (1985) ziet nut als een maatstaf voor "overall satisfaction" die niet alleen wordt beïnvloed door het product maar ook door een variëteit aan andere factoren. Het gaat hier immers om gedrag van consumenten; er moet gekozen worden tussen verschillende producten of combinaties van producten. Het is een grondwet van de psychologie dat gedrag een functie is van interne en externe factoren (van Raaij en Antonides, 1997). Interne factoren hebben betrekking op de persoon zelf: zijn stemming, interesse, betrokkenheid, kennis, attitude en andere persoonsfactoren. Externe factoren hebben betrekking op de situatie; de omgeving waarbinnen een consument tot een keuze komt. Voorgaande verklaart het gegeven dat niet iedereen dezelfde keuzen maakt; ieder persoon kiest op basis van een andere set interne en externe factoren.

 

Bij de "characteristics approach" wordt er vanuit gegaan dat het nut verbonden is met de kenmerken van een goed (Antonides, 1996). Het nut is dan geen functie van hoeveelheden goederen maar van kenmerken of attributen. De meest in het oog springende kenmerken zoals die reeds in hoofdstuk 2 naar voren zijn gekomen zijn: de kick en het gezondheidseffect. Onder kick wordt verstaan: "een aangename emotie ten gevolge van het gebruik van een stimulerende stof" (Geerts en Heestermans, 1984). De aangename emotie vloeit voort uit de werking van het middel en volgt kort op het gebruik ervan. Deze korte termijn werking kan bijvoorbeeld oppeppend, ontremmend, verdovend, gevoelens versterkend, ontspannend of honger onderdrukkend zijn (zie hoofdstuk 2). Bij het gezondheidseffect gaat het vooral om een lange termijn effect zoals bijvoorbeeld: verhoogde kans op longkanker, lichamelijk verslavend, geestelijk verslavend, grotere kans op infecties, gewichtsverlies, kans op depressie na het stoppen. Ook valt niet uit te sluiten dat er op de korte termijn negatieve gezondheidseffecten ontstaan, bijvoorbeeld bij een overdosis. Uitgedrukt in een formule geeft dit de volgende nutsfunctie:

(3.2.1) U = ƒ (K, G)

                U = Nut

                K = Kick

      G = Verwacht Gezondheidseffect met Verdisconteerde Tijdsvoorkeur (zie paragraaf 3.4.4)

Om de overzichtelijkheid te bevorderen wordt in het vervolg de hierna beschreven wijze van noteren aangehouden. Deze wijze van noteren is in overeenstemming met wat Bouma (1988) in ‘Leerboek der bedrijfseconomie’ aangeeft.

(3.2.2) U = U (K, G)

 

Een consument kan zijn nut vergroten door meer van het genotmiddel te gebruiken om zodoende de kick te vergroten. Meer gebruiken werkt echter waarschijnlijk nadelig op het verwacht gezondheidseffect: de toekomstige gevolgen zijn naar verwachting wellicht ernstiger of komen naar verwachting eerder in de tijd. Ook is denkbaar dat het nut wordt vergroot door naast het initiële middel een middel te gebruiken dat de kick versterkt of juist afremt. Dit laatste, als de kick zo sterk is dat een afname van de kick als een toename van het nut wordt ervaren. Het gebruik van verschillende middelen, kort op elkaar, kan dus mogelijk een vergroting van het nut veroorzaken. Dit kan een verklaring zijn voor de neiging tot het combineren van middelen met een tegengestelde of versterkende werking; de middelen zijn complementair. Mogelijk vindt er door dit combineren wederom een beïnvloeding van het te verwachten gezondheidseffect plaats. Tenslotte is het denkbaar dat ook de kick wordt beïnvloed door het te verwachten gezondheidseffect; het vooruitzicht van een onaangename ziekte heeft mogelijk een negatieve invloed op de aangename emotie die zou moeten ontstaan door de werking van het middel. Gevat in een formule zien de veronderstelde samenhangen met betrekking tot de kick en het verwacht gezondheidseffect er als volgt uit:

 

(3.2.3) K = K (I, V, C, G)

I = Hoeveelheid van het initieel middel

V = Hoeveelheid van het versterkend middel

C = Hoeveelheid van het contra middel

 

(3.2.4) G = G (I, V, C)

Samenvoeging van 3.2.3 en 3.2.4 met 3.2.2 geeft de volgende formule:

(3.2.5) U = U (K (I, V, C, G (I, V, C)), G (I, V, C))

 

3.3 Interne en externe factoren

Het nut wordt niet alleen beïnvloed door het product of combinatie van producten maar ook door een variëteit aan andere factoren (Nicholsen, 1985), hierna te noemen interne en externe factoren. Interne factoren hebben betrekking op de persoon zelf: zijn stemming, interesse, betrokkenheid, kennis, attitude en andere persoonsfactoren. Externe factoren hebben betrekking op de situatie; de omgeving waarbinnen een consument tot een keuze komt.

 

Interne en externe factoren hebben direct invloed op de kick. Het is bijvoorbeeld bekend dat THC de stemming versterkt (zie hoofdstuk 2). Wie zich niet zo gelukkig voelt, kan zich er nog rotter door gaan voelen. Bij iemand die zich goed voelt, valt het echter meestal prettig; hij wordt er ‘high’ van. Een interne factor, namelijk de stemming, heeft in dit geval invloed op de kick. Hierbij is ook bekend dat THC de waarneming beïnvloedt; kleuren en muziek worden intenser ervaren. De omgeving, een externe factor, kan de ervaring en dus ook de hieruit voortvloeiende kick beïnvloeden.

 

Interne en externe factoren hebben ook direct invloed op het verwacht gezondheidseffect. Interne factoren zoals bijvoorbeeld persoonlijkheidskenmerken beïnvloeden de verwachting; betreft het hier een optimistisch dan wel pessimistisch persoon. Ook de omgeving waarin een consument verkeert kan invloed hebben op het gezondheidseffect; heeft iemand bijvoorbeeld voldoende financiële middelen om voor zichzelf te zorgen en kan hij, door bijvoorbeeld goede voeding of medicijnen, de schadelijke effecten van het gebruik van een drug beperken. Interne en externe factoren hebben dus naast de invloed op de kick ook invloed op het verwacht gezondheidseffect.

 

Iedere consument zal vervolgens op geheel eigen wijze bepalen welk nut voortvloeit uit de kick en het verwacht gezondheidseffect. Ook hier beïnvloeden interne en externe factoren de uitkomst. Uitgaande van formule 3.2.5 ziet dit er als volgt uit:

(3.3.1) U = U (K (I, V, C, G (I, V, C, IF, EF), IF, EF), G (I, V, C, IF, EF), IF, EF)

                IF = Interne factoren

                EF = Externe factoren

 

3.4 Resultaten van onderzoek

Een groot aantal wetenschappers heeft al onderzoek gedaan naar het gebruik van genotmiddelen. Dit betreft vooral de volgende onderzoeksgebieden: ‘social learning’, ‘sensation seeking’, ‘locus of control’ en ‘tijdsvoorkeur’. Verder wordt, wegens de mogelijke invloed op ‘social learning’, ook naar ‘zelfmonitoring’ gekeken en tenslotte wordt op ‘variety-seeking’ ingegaan. Dit laatste omdat aan de hand van deze theorie mogelijk een verklaring gevonden kan worden voor het overstappen van het ene genotmiddel naar het andere.

 

3.4.1 Social learning

Heeft men eenmaal een verslaving dan zorgt het eenvoudige principe van beloning en bestraffing ervoor dat de verslaving in stand wordt gehouden; het niet nemen van het middel zorgt voor vervelende ontwenningsverschijnselen en/of gemis van een fijn gevoel. Voordat de verslaving een feit is moet echter eerst een barrière overwonnen worden; het eerste trekje van een sigaret is bijvoorbeeld over het algemeen een vervelende ervaring die gepaard gaat met een scherp brandend gevoel. Een vraag die zich vervolgens opdringt is de volgende: waarom neemt iemand een tweede sigaret als de eerste zo een vervelend effect heeft?

 

Mazur (1990) geeft aan dat alles erop duidt dat ‘social learning’ bij verslavingen als roken, alcoholisme en drugmisbruik een rol speelt. Hij geeft het volgende voorbeeld van ‘observational learning’: "Veel kinderen zien op erg jonge leeftijd rokende ouders, broers, zussen, televisiepersoonlijkheden en andere rokers. Het gevolg hiervan is dat roken geassocieerd wordt met positieve zaken als volwassenheid, aantrekkelijkheid en raffinement. Deze voordelen doen het lichte branden in de keel misschien teniet". Hierbij kan het ook zo zijn dat een jongere grote druk voelt vanuit de groep waarin hij of zij zich beweegt om te gaan roken (‘social reinforcement’). De groep kan niet-rokers bijvoorbeeld belachelijk maken en rokers juist aanmoedigen.

 

De twee genoemde factoren, ‘observational learning’ en ‘social reinforcement’ worden regelmatig genoemd als oorzaak van het beginnen met roken. Correlaties tussen de neiging tot roken en het roken van ouders, partner of referentiegroep zijn herhaaldelijk aangetoond (Kozlowski, 1979; Leventhal en Cleary, 1980).

 

‘Social learning’ lijkt ook van belang te zijn bij het ontwikkelen van alcoholisme en drugmisbruik. Bijvoorbeeld 20% van alle heroïneverslaafden heeft ййn of meer familieleden die ook verslaafd zijn aan de heroïne (Mazur, 1990). Bij alcoholisten is weer aangetoond dat de ouders de neiging hebben om of geheelonthouders te zijn of zware drinkers (Mazur, 1990). De ouders hebben het kind in beide gevallen dus niet geleerd om drankgebruik in de hand te houden. Ook Becker (1953) geeft aan dat ‘social learning’ van belang is bij het starten van een verslaving: ".......novice drug users must learn from their more experienced peers how to detect and respond to the pharmacological properties of marijuana, LSD, and opiates".

 

Men zou uit het voorgaande de conclusie kunnen trekken dat het bij gebruik van genotmiddelen om uitsluitend aangeleerd gedrag gaat. Onderzoek bij geadopteerde kinderen heeft echter aangetoond dat zowel bij jongetjes als bij meisjes aanleg voor alcoholisme erfelijk bepaald kan zijn (Goodwin e.a., 1973; Bohman e.a., 1981). Geadopteerde kinderen waarvan de natuurlijke ouders alcoholisten zijn blijken zelf een verhoogde kans op dit gedrag te hebben. Alcoholisme zou dan te wijten zijn aan een genetische abnormaliteit en is vanuit die optiek een ziekte.

 

3.4.2 Sensation Seeking

Zuckerman (1994) definieert ‘Sensation Seeking’ als: "the seeking of varied, novel, complex and intense sensations and experiences, and the willingness to take physical, social, legal and financial risks for the sake of such experience". Mensen variëren in de mate waarin ze dit doen en dit verschil is ook stabiel; het gaat volgens Zuckerman om een verschil in persoonlijkheid. Hij stelt op basis van onderzoek, waarbij gebruik gemaakt is van een grote populatie tweelingen (n = 442 paar), dat ‘sensation seeking’ misschien wel voor 58% aangeboren is. "Applying the Jinks en Fuller biometric method of analysis to the data on identical and fraternal same-sex twins, the results showed that 58% of the general sensation-seeking trait is heritable. The remaining variation (42%) is due to specific or nonshared environmental influences and error of trait measurement. If the unreliability component is taken into account, the heritability of sensation-seeking increases to 69%" aldus Zuckerman (1994).

 

Op basis van een complexe biologische analyse stelt Zuckerman dat hoog scoren op ‘sensation seeking’ negatief gecorreleerd is met de aanwezigheid van monoamine oxidose (MAO). Het gaat hier om een enzym dat betrokken is bij het reduceren van het niveau van monoamine neurotransmitters in de hersenen. Hierdoor neemt het extrovert gedrag, dat de meeste ‘sensation seekers’ vertonen, af. Zuckerman stelt vervolgens dat een laag MAO niveau geassocieerd is met een relatief groot gebruik van tabak, alcohol en drugs. Ook worden in dit verband een aantal ziekten genoemd en het deelnemen aan criminele activiteiten.

 

De ‘Sensation Seeking Scale’ meet individuele verschillen tussen personen. Zuckerman (1994) heeft zes versies van de ‘Sensation Seeking Scale’ ontwikkeld waarbij de nadruk op versie vijf (SSS-V) ligt. SSS-V is zo geconstrueerd dat niet alleen een algemeen beeld verkregen wordt van de mate van ‘Sensation Seeking’ door middel van een totale score maar dat ook een score verkregen kan worden voor de subschalen: ‘Experience Seeking’, ‘Thrill and Adventure Seeking’, ‘Boredom Susceptibility’ en ‘Disinhibition’.

 

Tabel 3.4.2.1 laat de vergelijking zien tussen mannelijke en vrouwelijke studenten uit vier verschillende landen. De data voor dit onderzoek is midden tachtiger jaren verzameld. In Spanje is gebruik gemaakt van een vertaling van de SSS-V test. Mannen scoorden significant hoger op Totaal, TAS en BS in alle vier de landen en op Dis in Amerika, Canada en Spanje. Er zijn geen significante verschillen tussen mannen en vrouwen op ES, met uitzondering van Canada waar mannen significant hoger scoorden dan vrouwen.

 

wpe42.jpg (28064 bytes)

 

Een groot deel van Zuckerman’s boek (1994) gaat over onderzoek naar externe correlaties met ‘sensation seeking’. Hierna volgt een onvolledige lijst van zaken die gecorreleerd zijn met ‘sensation seeking’: migratie, bloeddonatie, bereidheid om aan experimenten deel te nemen, snelheid in het verkeer, druggebruik inclusief alcohol en sigaretten, deelname aan sporten met een hoog risico, risicovol seksueel gedrag bij mannen, zappen, intelligentie, en nieuwsgierigheid naar morbide en seksuele gebeurtenissen.

 

Uit een Engels onderzoek, dat door Zuckerman (1994) is uitgevoerd, blijkt dat de SSS score min of meer lineair afneemt naarmate de onderzoeksgroep uit oudere personen bestaat; de respondenten variëren in leeftijd van 16 jaar tot boven de 60 jaar. De gevonden scores van de vrouwen zijn in iedere leeftijdsgroep steeds significant kleiner dan de scores van de mannen. Een in Australië uitgevoerd onderzoek geeft een iets ander beeld. Voor de leeftijdsgroep van 30-39 scoren de vrouwen iets hoger dan de mannen. Dit komt vooral doordat de Australische vrouwen een toename van ES laten zien tot en met de leeftijdsgroep van 30-39 jaar. Alle andere subschalen vertonen gewoon een significante afname bij het toenemen van de leeftijd.

 

In veel landen is een significante relatie tussen de SSS en roken aangetoond. Van zowel mannen als vrouwen die hoog scoren voor ‘Sensation Seeking’ rookt een groter deel dan laag scorende mannen en vrouwen. Verder geeft Zuckerman aan dat de SSS bij jongeren een significante voorspeller is van misbruik van middelen. ".........the SSS was used with the items referring to alcohol or drugs deleted from the scores used in the analyses. Sensation seeking significantly predicted overall lifetime and current substance use, but trait and state anxiety and depressive mood did not. The same results were found at every age from 14 to 17 with the exception of a weak but significant negative relationship between depressive mood and substance use at age 14. Sensation seeking was higher in early users of wine, beer, hard liquor, hashish, and depressant drugs, but trait and state anxiety and depressive mood were related only to use of depressant drugs" aldus Zuckerman.

 

Door Zuckerman wordt ook een verband gelegd tussen ‘Sensation Seeking’ en polidruggebruik. Hij stelt het volgende: "Sensation seekers are looking for variety and intensity of experiences and therefore are more likely to be polydrug users, at least in their younger years. Later the polydrug user may become dependent on one particular drug and use that one exclusively. However, many users go back and forth from drugs to alcohol depending on the availability of the former". Zo zijn er significante verschillen gevonden tussen de SSS scores van ‘Non users’, ‘Alcoholgebruikers’, ‘Enkel Marihuanagebruikers’ en ‘Multidruggebruikers’. Bij dit onderzoek is gebruik gemaakt van een aangepaste SSS; alle vragen die betrekking hebben op drug- en alcoholgebruik zijn uit de schaal verwijderd.

 

De conclusie kan getrokken worden dat er zeer sterke aanwijzingen zijn die erop duiden dat ‘sensation seeking’ een oorzaak is van het gebruik van genotmiddelen. Uit tal van onderzoeken komt immers een significant verband naar voren tussen ‘sensation seeking’ en het gebruik van genotmiddelen. Hierbij stelt Zuckerman dat deze karaktereigenschap voor ten minste 58% aangeboren is. Voordat iemand begint met het gebruik van genotmiddelen is hij dus over het algemeen al een ‘sensatiezoeker’. Het één volgt op het ander en is ook gecorreleerd met het ander. Dit geeft sterk de indruk dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen ‘sensation seeking’ en het gebruik van genotmiddelen. Deze indruk wordt verder versterkt doordat het ook zo goed denkbaar is dat een ‘sensatiezoeker’ met genotmiddelen experimenteert (zie het citaat van Zuckerman in de voorgaande alinea).

 

3.4.3 Variety-seeking

Van Trijp (1995) maakt verschil tussen ‘derived varied behavior’ en ‘variety-seeking behavior’. Bij ‘derived varied behavior’ is het motief, van verandering in gedrag, extrinsiek. "The term ‘derived varied behavior’ denotes extrinsically motivated variation in behavior. In such instances, value is not inherent in variation per se, but rather is derived from the more or less delayed consequences that are a result of variation in behavior" aldus van Trijp. Hij noemt in dit kader de volgende motieven: ‘situational/normative motives’, ‘problem solving motives’ en het ‘reversion-motive’.

 

Als variatie in gedrag een doel op zich is spreekt van Trijp over ‘variety-seeking behavior’. Hij stelt de volgende definitie voor: "the biased behavioral response by some decision making unit to a specific item relative to previous responses within the same behavioral category, or to a set of items consumed simultaneously, due to the utility inherent in variation per se, independent of the instrumental or functional value of the alternatives or items, and is a function of psychological processes"

 

Consumenten verschillen in de mate waarin zij nut ontlenen aan variatie op zich. Deze persoonlijkheidskarakteristiek wordt aangemerkt als ‘variety-seeking tendency’ en is een afgeleide van een meer algemene persoonlijkheidskarakteristiek aangeduid als ‘Optimum Stimulation Level’ (OSL). De ‘variety-seeking tendency’ onderscheidt zich echter van OSL in haar meer specifieke karakter; het heeft betrekking op de neiging van consumenten om variatie in productkeuze aan te wenden als methode om het actuele niveau van stimulatie (ASL) in overeenstemming te brengen met hun OSL. Van Trijp (1995) definieert de ‘variety-seeking tendency’ als volgt: "the motivational factor that aims at providing variation in stimulation through varied product consumption, irrespective of the instrumental or functional value of the product alternatives".

 

De ‘variety-seeking tendency’ vloeit voort uit het feit dat de hedonische waarde, ontleend aan alternatieven, kan veranderen onder invloed van eerdere consumptie. Van Trijp (1995) identificeert drie psychologische processen die verantwoordelijk kunnen zijn voor de veranderde waarde:

1. Verveling met de keuzetaak.

2. Attribuut verzadiging.

3. Nieuwsgierigheid.

Hierna wordt kort ingegaan op de drie genoemde psychologische processen.

 

Verveling met de keuzetaak

Consumenten proberen in de loop van de tijd het keuzeproces te vereenvoudigen tot een routinehandeling (van Trijp, 1995). Als dit proces van vereenvoudiging succesvol is verlopen zal de aankoop niet meer als een uitdaging gezien worden; er ontstaat een discrepantie tussen ASL en OSL. Door de optredende verveling vermindert vervolgens de aantrekkelijkheid van het eerder gekozen alternatief ten opzichte van alle andere alternatieven. De situatie kan zich dan voordoen dat een keuzealternatief, waarvoor de consument een lagere langetermijn preferentie heeft dan voor het vorige gekozen alternatief, op een bepaald keuzemoment conditioneel toch aantrekkelijker is.

 

Attribuut verzadiging

Consumenten raken verzadigd aan één of meer specifieke productattributen die door herhaalde consumptie regelmatig geleverd worden. Als gevolg van deze attribuutverzadiging verandert de evaluatieve beoordeling van ййn of meer hedonische attributen onder invloed van eerdere consumptie en ontstaat er wederom een discrepantie tussen ASL en OSL.

 

Nieuwsgierigheid

De behoefte om de informatiekloof te dichten tussen wat men weet en wat men wenst te weten, kan de aantrekkelijkheid van een alternatief verhogen tot boven een niveau dat men zou verwachten op basis van de productattributen. Door nieuwsgierigheid ontstaat een enigszins superoptimaal niveau van stimulatie. Bevrediging van deze nieuwsgierigheid doet het ASL afnemen waardoor het meer in overeenstemming komt met het optimaal niveau.

 

Van Trijp (1995) heeft een instrument ontwikkeld, de ‘VARSEEK-scale’, om de ‘variety-seeking tendency’ van consumenten voor wat betreft de voeding te kunnen meten. Deze vijfpunts Likertschaal bevat 8 onderdelen waarover de respondent een oordeel moet geven van ‘helemaal mee eens’ tot ‘helemaal mee oneens’. De ‘VARSEEK-scale’ is significant (p<0,001) gecorreleerd met ‘Sensation Seeking’: Pearson’s r = 0,357.

 

Het is denkbaar dat ook gebruikers van genotmiddelen een ‘variety-seeking tendency’ vertonen. De drie eerder genoemde psychologische processen kunnen dan geheel of gedeeltelijk verantwoordelijk zijn voor het overstappen van het ene naar het andere genotmiddel.

 

3.4.4 Locus of control

Het concept van ‘locus of controlis ontwikkeld door de psycholoog Julian Rotter (1982). Mensen kunnen in de visie van Rotter een ‘external’ of ‘internal locus of control’ hebben. Het verschil tussen beide verduidelijkt hij op de volgende wijze: "When a reinforcement is perceived by the subject as following some action of his own but not being entirely contingent upon his action, then, in our culture, it is typically perceived as the result of luck, chance, fate, as under the control of powerful others, or as unpredictable because of the great complexity of the forces surrounding him. When the event is interpreted in this way by an individual, we have labeled this a belief in external control. If the person perceives that the event is contingent upon his own behavior or his own relatively permanent characteristics, we have termed this a belief in internal control". Als een persoon meer de neiging heeft om te denken dat een gebeurtenis het gevolg is van het eigen handelen of de eigen karaktereigenschappen (interne factoren) wordt dit door Rotter dus betiteld als een geloof ininternal control’. Hiertegenover staat het geloof in external control’; als een persoon nu juist meer de neiging heeft om te denken dat een gebeurtenis niet het gevolg is van het eigen handelen of de eigen karaktereigenschappen maar van andere factoren (externe factoren). Deze externe factoren kunnen bijvoorbeeld zijn: andere mensen, het weer, geluk, ongeluk, de organisatie, de regering, enz. Interne factoren zijn bijvoorbeeld: eigen kunnen, intuïtie, zelfverzekerdheid, wilskracht, enz.

 

Uit Rotters onderzoek komt naar voren dat individuen met een ‘internal locus of control’ productiever zijn dan zij met een ‘external locus of control’. Ze zoeken naar informatie en zijn doelgericht met als gevolg dat ze over het algemeen goed met problemen om kunnen gaan. Rotter zegt hierover onder andere het volgende: "A series of studies provides strong support for the hypotheses that the individual who has a strong belief that he can control his own destiny is likely to (a) be more alert to those aspects of the environment which provide useful information for his future behavior; (b) take steps to improve his environmental condition; (c) place greater value on skill or achievement reinforcements and be generally more concerned with his ability, particularly his failures; and (d) be resistive to subtle attempts to influence him". Het kan verder voorkomen dat iemand een ‘internal locus of control’ voelt voor een deel van zijn leven en voor een ander deel juist een ‘external locus of control’; in het gezin voelt hij zich bijvoorbeeld zelfverzekerd maar op z’n werk heeft hij te maken met een reorganisatie waar hij geen vat op heeft.

 

Aan de andere kant vertonen individuen met een ‘external locus of control’ tekenen van apathie en toegeeflijkheid en ze geloven hierbij dat ze weinig of geen controle hebben over hun omgeving. Verder zullen mensen met een ‘external locus of control’ minder snel geneigd zijn actie te ondernemen om zodoende hun leven in eigen hand te nemen omdat ze de overtuiging hebben dat dit zinloos zal zijn. Rotter is van mening dat veel persoonlijkheidskenmerken onveranderlijk zijn maar dat de ‘locus of control’ ten goede veranderd kan worden van ‘external’ naar ‘internal’.

 

Mendelson en Mello (1986) geven in verschillende onderzoeken aan dat alcoholisten, rokers en drugverslaafden een externe ‘locus of control hebben. Zij worden beheerst door hun sigaretten, hun drank en hun drugs en zij zien zichzelf niet in staat om te stoppen met het ongezond gedrag. Ook kan het zijn dat ze niet geloven dat ze door het stoppen hun gezondheid gunstig kunnen beïnvloeden. Deze mensen zijn verder eenvoudig te beïnvloeden door omgevingsfactoren en zij zien niet dat ze de mogelijkheid hebben hun druggebruik te beheersen.

 

3.4.5 Tijdsvoorkeur

Over het algemeen heeft een gulden nu meer waarde dan een gulden over een jaar; er is sprake van een positieve tijdsvoorkeur. In de economie wordt met dit gegeven rekening gehouden bij het berekenen van de netto contante waarde van een investering.

 

Ook voor gezondheidsproblemen geldt een tijdsvoorkeur; zie formule 3.4.5.1 (Antonides, 1996). Uit onderzoek is een significante correlatie gebleken tussen roken en tijdsvoorkeur (tijdsvoorkeur met betrekking tot de gezondheid).

(3.4.5.1) G0 = Gt * (1 / (1+r))t

             G = Gezondheidsprobleem

             r = disconteringsvoet

 

3.4.6 Zelfmonitoring

Waarderealisatie vindt niet plaats bij de productie of verkoop van een product maar vooral bij het expressieve gebruik van producten en merken; consumenten zijn ook ‘merken in de markt’. In een proces van ‘zelfmarketing’ positioneren ze zich, maken zich populair bij anderen en versterken en onderhouden hun imago’s. Mensen die hoog scoren op dit zogenoemde zelfmonitoring letten bij hun gedrag vooral op of het passend is in de gegeven situatie. Eigen voorkeuren, normen en waarden zijn dan van minder belang (van Raaij en Antonides, 1997).

 

Door middel van de ‘zelfmonitoring schaal’ kan de neiging tot zelfmonitoring van personen of groepen gekwantificeerd worden. Deze schaal bevat 25 juist-onjuist vragen over, onder andere, geschetste situaties en de zelfpresentatie van de respondent (Snyder, 1987). Snyder heeft overigens ook een 18 puntsschaal ontwikkeld waarbij een aantal niet-discriminerende vragen zijn weggelaten.

 

 

Snyder (1987) brengt het hoog scoren op de zelfmonitoring schaal onder andere in verband met succesvolle advocaten, diplomaten, verkopers, managers, bemiddelaars, overgewicht en ontrouw in het huwelijk. Mensen die laag scoren op zelfmonitoring zijn weer meer geschikt voor beroepen waar de individuele prestatie meer op de voorgrond staat en verder zijn ze trouwer in de relatie en hebben ze minder last van overgewicht.

 

Ook de neiging tot zelfmonitoring is voor een belangrijk deel genetisch bepaald. Uit onderzoek van Gangestad (Snyder, 1987), dat gehouden is onder 149 paar eeneiige en 76 paar twee-eiige tweelingen van dezelfde sekse, blijkt dat 95% van de eeneiige tweelingen van hetzelfde type is terwijl dit percentage voor de twee-eiige tweelingen slechts 74% is. Het is dus zo dat twee personen, die samen een eeneiige tweeling vormen, bijna altijd van hetzelfde type zijn. Sommige tweelingen die erg op elkaar lijken en waarvan gedacht wordt dat ze eeneiig zijn blijken bij nader onderzoek niet eeneiig maar twee-eiig te zijn. Als deze ‘onechte’ eeneiige tweelingen vervolgens, door middel van bloedproeven en vingerafdrukken, uit de groep verwijderd worden blijkt dat zelfs 99% van de ‘echte’ eeneiige tweelingen van hetzelfde type is. Dit is een bevestiging van een eerder door Dworkin in 1977 uitgevoerd onderzoek onder tweelingen.

 

In aanvang is het enige verschil tussen de groep eeneiige en de groep twee-eiige tweelingen, dat de eerstgenoemde groep genetisch identieke stellen bevat en de laatstgenoemde groep niet. Het feit dat in de groep eeneiige tweelingen bijna alleen stellen voorkomen waarvan beide leden van hetzelfde type zijn, terwijl dit in de andere groep niet het geval is, moet hiervan dus het gevolg zijn. Criticasters stellen echter dat het verschil tussen de groepen niet veroorzaakt wordt door een gelijkheid versus ongelijkheid van genen maar door een gelijkheid versus ongelijkheid in omgeving. De twee leden van een eeneiige tweelingen hebben in hun visie met een vrijwel identieke omgeving te maken terwijl dit voor de leden van een twee-eiige tweeling minder het geval zou zijn; er wordt bijvoorbeeld vaker identiek gekleed bij eeneiige tweelingen. Hierdoor zouden de leden van een identieke tweeling ook van hetzelfde psychologische type zijn (met betrekking tot de zelfmonitoring). Als echter gekeken wordt naar twee-eiige tweelingen die ten onrechte voor eeneiig zijn doorgegaan dan is gebleken dat in deze groep toch relatief veel tweelingen voorkomen waarvan de leden van een ander psychologisch type zijn. Een identieke omgeving zorgt er niet voor dat de twee leden van een tweeling ook van hetzelfde type zijn. Snyder trekt de volgende conclusies: "If we are to believe the twin studies, genetic influences are, if not exclusively, then at least substantially implicated in the origins of self-monitoring" en "Thus, in the case of self-monitoring, there seems to be little reason to attribute the differences between identical and fraternal twins to differences in their environments".

 

Ondanks dat de twee leden van een eeneiige tweeling in bijna alle gevallen van hetzelfde type zijn en dat genetische aanleg dus een rol moet spelen, bewijst het tweelingenonderzoek niet dat omgevingsfactoren geen invloed hebben op de persoonlijkheid. Het is bijna ondenkbaar dat een in aanleg aanwezige persoonlijkheid totaal niet beïnvloed zou kunnen worden door omgevingsfactoren. Ook Snyder (1987) geeft aan dat zelfmonitoring niet iets statisch is, maar dat uit onderzoek is gebleken dat het gedrag door ervaring of training wel degelijk beïnvloed kan worden: "After all best estimates tell us that the latent self-monitoring causal variable accounts for about 50 percent of the variation between people in expressive self-control. Thus, even if biological-genetic influences do account for that 50 percent, the person least disposed by those biological-genetic influences to be high in self-monitoring still could learn the skills needed to exercise self-control over his or her expressive behavior and self-presentations".

 

Zelfmonitoring is bij dit onderzoek betrokken omdat het voor de hand ligt om te denken dat iemand die hoog scoort op dit punt - en zich dus sterk aanpast aan de sociale omgeving - ook sneller het gebruik van allerlei genotmiddelen over zal nemen dan iemand die laag scoort. Het kan dus zijn dat de score op zelfmonitoring positief gecorreleerd is met ‘social learning’.

 

3.5 Conclusie

Zoals in hoofdstuk 2 is gebleken geeft het gebruik van een genotmiddel een verhoogde kans op het gebruik van een ander middel. Mogelijk heeft dit mede te maken met het gegeven dat bepaalde middelen complementair zijn; ze versterken elkaar of werken juist tegengesteld.

 

Het nut van het gebruik van genotmiddelen wordt voor een deel bepaald door de kick van het middel en de gezondheidseffecten. Hiernaast hebben een aantal interne en externe factoren invloed. In dit hoofdstuk zijn de volgende interne en externe factoren aan de orde gekomen:

Externe factor:

- ‘Social learning’ in de vorm van ‘observational learning’ en ‘social reinforcement’.

Interne factoren:

- Tijdsvoorkeur.

- ‘Sensation Seeking’.

- ‘Locus of control’.

- ‘Zelfmonitoring’ (een mogelijke factor).

- ‘Variety-seeking’ (een mogelijke factor).

 

‘Social learning’ wordt als een oorzaak van drinken, roken en druggebruik gezien. Hierbij is een interessant feit dat iemand die zwaar cannabis gebruikt ook een sterk verhoogde kans op het gebruik van cocaïne heeft. Klaarblijkelijk begeven veel zware cannabisgebruikers zich dus in kringen waar ze het cocaïnegebruik kunnen leren. Dit terwijl het coffeeshopbeleid erop gericht is harddruggebruikers gescheiden te houden van softdruggebruikers.

 

Onderzoeksresultaten duiden in de richting van de aanwezigheid van een oorzakelijk verband tussen ‘sensation seeking’ en het gebruik van genotmiddelen. Hierbij stelt Zuckerman tevens dat ‘sensation seeking’ voor ten minste 58% aangeboren is.

 

Van rokers, alcoholisten en drugverslaafden is bekend dat ze een externe ‘locus of control’ hebben. Er is dus een verband tussen bepaalde verslavingen en ‘locus of control’.