|
2.1
Inleiding
In
dit hoofdstuk worden de werking, het gebruik en de markt
van de voor het onderzoek van belang zijnde genotmiddelen
behandeld. Achtereenvolgens komen aan de orde: alcohol,
tabak, softdrugs, XTC, cocaïne en heroïne.
2.2
Alcohol
Alcoholhoudende
dranken is de verzamelnaam voor vloeibare genotmiddelen
die anderhalf of meer volumeprocenten alcohol bevatten, te
verdelen in drie hoofdgroepen: bier, wijn en
gedistilleerd. De verstrekking van alcoholhoudende dranken
in horeca- en slijterbedrijven is in Nederland aan een
vergunningsstelsel onderworpen ingevolge de Drank- en
horecawet. (WP redactie, 1976)
Alcohol
ontstaat door gisting van suikers, zoals die in vele
vruchten voorkomen, of in een brouwsel van granen. Hiervan
heeft de mens sinds onheuglijke tijden gebruik gemaakt ter
bereiding van bier en wijn. Vrijwel alle oude
cultuurvolken waren hiermee vertrouwd. Sinds de vroege
middeleeuwen kent men ook de destilleertechniek, waardoor
dranken van hogere alcoholpercentages kunnen worden
verkregen. Het gaat dan om likeuren, jenever, brandewijn,
enz. (WP redactie, 1976)
2.2.1
Werking en gebruik
In
het menselijk organisme wordt de opgenomen alcohol voor
meer dan 90% geoxideerd tot water en kooldioxide, waarbij
relatief veel warmte vrijkomt. Een gevolg hiervan is dat
van andere voedingsstoffen minder verbrand wordt, zodat
daarvan meer voor de opbouw van weefsel en de vorming van
reservestoffen wordt gebruikt; bij groot alcoholgebruik
ontstaat dan ook vaak vetzucht. De overige 2-10% worden
met de uitademinglucht, de urine en door de huid
uitgescheiden. (WP redactie, 1976)
Alcohol
werkt sterk in op het centrale zenuwstelsel; de werking
van de hersenschors wordt onderdrukt. Juist in dit
hersengedeelte spelen zich de hogere psychische processen
af die onze bewegingen en handelingen besturen, vaak door
middel van remmende invloeden. Wanneer deze invloeden
verminderen worden de bewegingen vrijer en gemakkelijker;
aangeleerde handelingen die ‘automatisch’ worden
verricht verlopen door de verminderde controle subjectief
gemakkelijker, maar vertonen een hoger foutpercentage. De
verstandelijke vermogens zijn hierbij schijnbaar
verscherpt - men wordt meer ‘ad rem’ en vaak geestiger
- maar de verstandelijke overwegingen die in normale
omstandigheden de handelingen remmen, oefenen na
alcoholgebruik een minder sterke invloed uit. Het gevolg
is het ontbreken van kritische zin en zelfkritiek, neiging
tot praten en het prijsgeven van geheimen, het stellen van
daden waartoe men anders de moed niet heeft en verminderd
moreel besef. Overigens heeft de gebruiker steeds meer
nodig om hetzelfde effect te bereiken: een toenemende
tolerantie. (WP redactie, 1976)
Overmatig
alcoholgebruik kan leiden tot een verscheidenheid aan
lichamelijk en sociale problemen. Welke lichamelijk en
sociale problemen ontstaan, hangt onder andere af van de
hoeveelheid die men per keer drinkt, het aantal malen dat
men per week of per maand drinkt en het aantal jaren dat
het ongezonde drinkpatroon bestaat. De lichamelijke
aandoeningen die men in verband brengt met overdadig
alcoholgebruik zijn levercirrose (verminderd functioneren
van de lever door littekenvorming), hart- en vaatziekten,
kanker in hoofd- en halsgebied, ontsteking van de
alvleesklier, de ziekte van Wernicke en Korsakow (ziekte
aan de hersenen) en de gevolgen van slechte voeding. In
1993 overleden 1194 personen aan levercirrose en
alcoholvergiftiging. Ook kan langdurig overmatig
alcoholgebruik leiden tot een aantal psychiatrische
ziektebeelden waaronder het delirium tremens (onder andere
verlaagd bewustzijn en hallucinaties). Overigens eist het
gebruik van alcohol, uit het oogpunt van de
volksgezondheid in Nederland - evenals trouwens elders in
de Westerse wereld -, een onvergelijkbaar veel hogere tol
dan het gebruik van alle onder de Opiumwet vallende drugs
bij elkaar (Ministerie VWS, 1995). In Nederlandse
ziekenhuizen worden elk jaar 12.000 mensen opgenomen met
ziektes die door alcohol zijn veroorzaakt. (Strijker,
1996)
Geschat
wordt dat de alcoholconsumptie op de werkvloer 3% bedraagt
van de totale alcoholconsumptie. Het gebruik van alcohol
binnen de werksituatie kan bij sommige beroepen leiden tot
een verhoogd risico op een (dodelijk) bedrijfsongeval.
Overmatig gebruik van alcohol buiten de arbeidssituatie
leidt tot een hoger ziekteverzuim; het aantal
probleemgevallen wordt dan geschat op maximaal 350.000,
waarvan er 50.000 tot 100.000 ontsporen als er geen hulp
wordt geboden. Vermoedelijk bedragen de maatschappelijke
kosten door uitvallen van arbeidskrachten als gevolg van
alcohol f 588 miljoen per jaar, exclusief WAO-kosten.
(Strijker, 1996)
Een
belangrijk sociaal probleem is de ‘ontremming’ die
alcoholgebruik veroorzaakt. In de ontremde toestand lopen
personen met een geringe zelfcontrole een verhoogd risico
op het begaan van geweldsdelicten (Ministerie VWS, 1995).
Binnen het gezin vindt 30% van de vrouwenmishandeling
plaats onder invloed van alcohol (minimaal 50.000
personen) en in 17% van de gevallen van kindermishandeling
is er sprake van alcoholverslaving. Buiten het gezin vindt
40% van de agressiedelicten plaats onder invloed van
alcoholgebruik. Hiernaast draagt alcoholconsumptie door
verkeersdeelnemers bij aan de verkeersonveiligheid. In
ongeveer 7% van de verkeersongevallen in Nederland wordt
namelijk alcoholgebruik door één van de
betrokken bestuurders geconstateerd. In tabel 2.2.1 staat
een korte karakterisering van alcoholgebruik. (Strijker,
1996)

2.2.2
De Nederlandse markt
Consumptie
Per
jaar besteden Nederlanders zo’n 9,8 miljard gulden aan
alcohol (Posma, 1996). De Zwart (de Zwart e.a., 1993)
schatte het percentage drinkers in 1992 op 82% van de
Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder. Het gaat dan
om 9.924.900 personen. Het leeuwendeel van alle
alcoholhoudende dranken wordt bij de detailhandel gekocht
en thuis gedronken. Jaarlijks wordt voor 5,5 miljard
gulden de Nederlandse huizen binnengedragen. Van deze
detailhandelsbestedingen vindt 48% plaats via de slijter.
(Posma, 1996)
Het
percentage Nederlanders dat drinkt is vrijwel identiek aan
het Europees gemiddelde, namelijk 83%. De Denen en
Duitsers steken bij dit gemiddelde af met respectievelijk
96% en 92%. Het betreft hier het percentage drinkers van
15 jaar en ouder in landen van de EG: 1991. Zie ook tabel
2.2.2a. (de Zwart e.a., 1993)

Het
alcoholgebruik onder scholieren van 12 jaar en ouder neemt
toe. In 1992 dronk 42% alcohol in de laatste 4 weken voor
het onderzoek, in 1996 is dit percentage toegenomen tot
52%. Ruim de helft van de drinkende leerlingen gebruikte
in die 4 weken niet meer dan 4 keer alcohol en een kwart
van de drinkers gebruikte meer dan 10 keer alcohol. De
hoogste alcoholconsumptie is in 1996 gevonden onder
jongens van 16 tot 18 jaar. Niet alleen was het percentage
drinkers onder hen het hoogst, ook dronken zij het vaakst
en de meeste glazen per keer. (de Zwart e.a., 1997)
Distributie
Sinds
het begin van de jaren zestig is het aantal punten waar
alcohol verkrijgbaar is sterk toegenomen. Ook zijn er
nieuwe soorten verkooppunten bijgekomen. Vroeger waren het
eigenlijk alleen maar cafés, restaurants en slijters
die alcohol verkochten voor consumptie ter plekke of voor
thuisgebruik. Vandaag de dag wordt ook alcohol geschonken
en verkocht in sportkantines, open jongerencentra,
dorpshuizen, club- en buurthuizen, schouwburgen, bioscopen
en andere gelegenheden. Daarnaast wordt alcohol verkocht
in supermarkten, bij de slager, melkhandel en groenteboer,
in benzinestations en zelfs in winkels van ziekenhuizen en
bejaardenoorden. En bij elk evenement van enige omvang is
wel een biertap te vinden. Denk alleen maar aan grote
popconcerten, straatfeesten, enz. Het Nederlands Instituut
voor Alcohol en Drugs schat het totaal aantal
verkooppunten van alcohol op 60.000. (Posma, 1996)
Binnen
bepaalde wetten en regels is het in ons land toegestaan
alcoholhoudende dranken te produceren en te verkopen.
Verkopen gaat meestal met reclame gepaard. Bij alcohol is
dat niet anders. In 1992 ging het om 64 miljoen gulden
voor televisie- en radioreclame, 40 miljoen voor
bioscoopreclame en advertenties en nog eens zo’n 58
miljoen voor alcoholreclame via andere kanalen, zoals
bijvoorbeeld sponsoring. (Posma, 1996)
Het
ligt voor de hand om te denken dat al die reclame bij
elkaar wel een consumptieverhogend effect moet hebben.
Daar is ook onderzoek naar gedaan, onder meer door het
Amerikaanse ‘National Bureau of Economic Research’ (Saffer,
1991). Hieruit bleek dat in landen met een verbod op
televisiereclame voor gedistilleerd het alcoholgebruik
hierdoor 16% lager is dan in landen zonder zo’n verbod.
En dat in landen met een algeheel televisiereclameverbod
voor alcoholhoudende dranken het gebruik weer 11% lager is
dan in landen met alleen een verbod op
gedistilleerdreclame.
Het
hiervoor genoemde onderzoek heeft betrekking op de periode
van 1970 tot en met 1983 en bevat data uit 17 landen. Deze
landen zijn lid van de Organisation for Economic
Cooperation and Development (OECD) en zijn voor dit
onderzoek gekozen omdat zij sinds 1960 bestanden met
vergelijkbare economische en sociale data bijhouden. Het
gaat om de volgende landen: Australië, Oostenrijk, België, Canada, Denemarken, Finland, Frankrijk,
Ierland, Italiл, Luxemburg, Nederland, Noorwegen,
Portugal, Spanje, Zweden, Groot-Brittannië en de
Verenigde Staten.
Saffer
(1991) heeft met behulp van regressie analyse de effecten
van een aantal variabelen op ‘Alcohol demand’,
‘Liver cirrhosis mortality rate’ en ‘Motor vehicle
fatality rate’ geschat. Zie voor een overzicht van de
variabelen tabel 2.2.2b.

Tabel
2.2.2c geeft een overzicht van de in totaal twaalf uit het
onderzoek van Saffer voortkomende regressie
vergelijkingen. Bij panel A zijn voor de eerste drie
vergelijkingen enkel de ‘advertising ban’ variabelen
en ‘time dummy’ variabelen gebruikt. In de tweede
groep van drie vergelijkingen is ook het ‘alcohol
sentiment’ toegevoegd. De volgende zes onafhankelijke
regressie vergelijkingen worden gepresenteerd in panel B.
In deze regressie vergelijkingen wordt ook gebruik gemaakt
van ‘advertising ban’ variabelen en ‘time dummy’
variabelen. Hiernaast worden onder andere ‘real price’
en ‘real income’ toegevoegd.

Van
de eerste drie regressie vergelijkingen van panel B is de
R2 het grootst. Uitgaande van deze vergelijkingen stelt
Saffer vast dat ‘advertising ban’ variabelen
significante negatieve coлfficiлnten hebben in
de ‘alcohol demand’ en ‘motor vehicle fatality’
regressie. ‘Real price’ heeft een negatieve en
significante coëfficiënt in de ‘alcohol
demand’ en de ‘liver cirrhosis mortality rate’
regressie. Gebruik makende van de regressie vergelijking
van ‘alcohol demand’ kan berekend worden dat in landen
met een verbod op televisiereclame voor gedistilleerd het
alcoholgebruik hierdoor 16% lager is dan in landen zonder
zo’n verbod en dat in landen met een algeheel
televisiereclameverbod voor alcoholhoudende dranken het
gebruik 11% lager is dan in landen met alleen een verbod
op gedistilleerdreclame. Uit de regressie vergelijking van
‘motor vehicle fatality’ komt naar voren dat landen
met een verbod op televisiereclame voor gedistilleerd een
10% lager ‘motor vehicle fatality’ percentage hebben
dan landen zonder zo’n verbod en dat dit voor landen met
een algeheel televisiereclameverbod voor alcoholhoudende
dranken nog eens 23% minder is. Dit laatste in
vergelijking met landen met alleen een verbod op
televisiereclame voor gedistilleerd.
2.2.3
Conclusie
Alcohol
is een genotmiddel waaraan bij nogal wat bezwaren kleven.
Hierbij valt te denken aan allerlei ziekten die het gevolg
zijn van overmatig alcoholgebruik, problemen die ontstaan
door het ‘ontremmend’ effect en kosten die voortkomen
uit bijvoorbeeld de medische behandeling en het uitvallen
van arbeidskrachten. Het gebruik van alcohol geeft medisch
gezien overigens meer problemen dan het gebruik van alle
onder de Opiumwet vallende drugs tezamen. Ondanks deze
bezwaren is alcohol, van de in deze scriptie bestudeerde
genotmiddelen, het meest gebruikte middel in Nederland;
het gaat dan om zo’n 10 miljoen personen en een omzet
van 9,8 miljard gulden. Verder wordt er veel aan gedaan om
alcoholhoudende dranken aan de man te brengen: het aantal
verkooppunten in Nederland waar alcoholhoudende dranken
worden verkocht is ongeveer 60.000 en hierbij geeft de
branche in totaal 162 miljoen gulden aan reclame uit.
Overigens is het opvallend dat, ondanks de
maatschappelijke kosten die verbonden zijn aan het
alcoholmisbruik, Nederland geen verbod op alcoholreclame
kent; terwijl uit onderzoek zo duidelijk naar voren komt
dat zo een verbod een belangrijke rol kan spelen in het
terugdringen van de ‘alcohol demand’ en de ‘motor
vehicle fatality’.
2.3
Tabak
Tabak
is de Nederlandse naam voor het plantengeslacht Nicotiana.
Het is door Spanjaarden vanuit Centraal-Amerika geпntroduceerd
in Europa waar het gebruik, ondanks veel tegenwerking,
snel populair werd. Aanvankelijk werd het vooral als
geneesmiddel gebruikt. Als gevolg van de vraag werd de
teelt snel verspreid; thans vindt men tabaksculturen in
vrijwel alle landen tussen 60є N. Br. en 40є
Z. Br. De plant vraagt om een matig vruchtbare, luchtige
grond met veel kalium en weinig chloride. (WP redactie,
1976)
Tabak
is tamelijk gevoelig voor allerlei door insecten, aaltjes,
schimmels, bacteriën en virussen veroorzaakte
ziekten. Door de ontwikkeling van nieuwe rassen heeft men
de resistentie echter aanzienlijk weten te verbeteren. Het
blad is rijp wanneer het geel wordt. Na ongeveer twee
maanden na het planten begint men van onderaf te oogsten,
tot in drie maanden al het blad is geplukt. (WP redactie,
1976)
De
voorbewerking van de tabak hangt af van de bestemming:
sigarettentabak, sigarentabak of kerftabak. Hierna
behandel ik kort de drie soorten tabak.
Sigarettentabak
Droging
vindt plaats door het zogenoemde flue-curing (in verwarmde
schuren) of sun-curing (in de zon) om een lichte kleur te
verkrijgen. Verder heeft de tabak een laag vochtgehalte
(12%), zodat geen broei kan optreden. Na het drogen
ondergaat de tot balen geperste tabak een smaakverbeterend
verouderingsproces (aging), dat ongeveer twee jaar duurt.
(WP redactie, 1976)
Sigarentabak
Door
middel van air-curing (natuurlijke droging) of fire-curing
(boven vuren) wordt de tabak langzaam gedroogd, waardoor
een bruin en vaal blad verkregen wordt. Daarna fermenteert
men het blad bij maximaal 65 °C in stapels. Dit
proces kan tot zes maanden duren. Door allerlei daarbij
optredende chemische processen verbeteren de kleur en
aroma aanzienlijk. Na deze droging wordt gesorteerd op
bladlengte, kleur, dikte en soepelheid. Vaak wordt dan
gesaust met smaakstoffen en glycerine. (WP redactie, 1976)
Kerftabak
Hieronder
vallen: shag, pijptabak en pruimtabak. Voor kerftabak
worden andere tabakssoorten gebruikt dan voor
sigarettentabak of sigarentabak. Verder is de breedte van
de snede, melangering en de aard van het sausen anders. (WP
redactie, 1976)
2.3.1
Werking en gebruik
Tabaksrook
bevat ongeveer 3000 chemische verbindingen (WP redactie,
1976) waarvan de alkaloïde nicotine, dat uitwerking
heeft op het zenuwstelsel, verslavend is. Na betrekkelijk
korte tijd kan men hiervan behoorlijk afhankelijk worden.
Verslaafde rokers roken ‘s morgens binnen een half uur
na het opstaan vaak al een sigaret. Steeds als een roker
de behoefte heeft om te roken en zich onaangenaam voelt,
komt dat omdat het nicotinepeil te ver gezakt is. Na de
eerste trek van een nieuwe sigaret is de nicotine dan weer
binnen 7 seconden in de hersenen. De nicotine zorgt op die
manier voor een lichamelijke afhankelijkheid. Het lichaam
heeft de stof dus steeds opnieuw nodig. (Stegeman,
1994)
De
schadelijkheid van het roken van tabak voor de gezondheid
ligt vooral in de teer, die de kans verhoogd op
longkanker, chronische bronchitis, longemfyseem en andere
ziekten van de ademhalingsorganen (WP redactie, 1976).
Teer is overigens een aanduiding voor een samenstelling
waarin zich ondermeer 40 kankerverwekkende stoffen en de
resten van bestrijdingsmiddelen bevinden (Stegeman, 1994).
Zoals het zeer kankerverwekkende benzopyreen. Hiernaast
kan nicotine een schadelijk effect hebben op het hart- en
vaatstelsel (WP redactie, 1976). Verder zijn gassen als
arcroleïne, formaldehyde, ammoniak en blauwzuurgas
in hoge mate irriterend voor de luchtwegen. Zij verlammen
of belemmeren de werking op de binnenzijde van de
luchtwegen. Die kunnen zichzelf daardoor lastiger
reinigen, waardoor een bemoeilijkte ademhaling optreedt.
Als laatste gevaar voor de gezondheid geldt koolmonoxide;
ook dit gas vormt een belangrijk risico voor het ontstaan
van hart- en vaatziekten. Zie ook tabel 2.3.1.

In
een recent verslag in het ‘British Medical Journal’
(oktober 1994) worden nieuwe gegevens gepubliceerd over
een al ruim veertig jaar durend onderzoek naar de
gezondheid en gedrag van Britse artsen. Hieruit blijkt een
verlies aan levensjaren gemiddeld over alle rokers van 7,5
jaar. Op 70-jarige leeftijd leeft van de niet-rokers nog
80%, van de rokers nog 59%. Er is een sterke dosiseffect relatie: van de zware rokers leeft op 70-jarige leeftijd
nog slechts de helft. Stoppen met roken levert op elke
leeftijd winst in de vorm van gewonnen levensduur. Stoppen
onder 35 jaar levert zelfs een volledige normalisering van
de overlevingscurve. (Baan, 1995)
In
1990 is door de Gezondheidsraad een advies uitgebracht aan
de toenmalige minister van WVC over de schadelijkheid van
omgevingstabaksrook voor de gezondheid. Het adviesrapport
omvat een overzicht van toen bekende onderzoeksresultaten.
In het rapport wordt geconcludeerd, dat blootstelling aan
tabaksrook thuis een nadelig effect kan hebben op de
gezondheid van kinderen. Kinderen van rokende ouders
hebben een verhoogde kans op luchtweginfecties en
middenoorontsteking. Zij kunnen vaker en in ernstiger mate
last hebben van astmatische en andere luchtwegklachten. De
ontwikkeling van de luchtwegen kan enigszins verstoord
raken. (Gezondheidsraad, 1990)
Naar
het oordeel van de Gezondheidsraad bestaat er geen twijfel
over dat het roken door de aanstaande moeder schadelijk is
voor haar ongeboren kind. Kinderen van rokende moeders
hebben bij de geboorte gemiddeld een geringer gewicht en
lengte. Ook is er een hogere kans op sterfte rond de
geboorte. Hoewel schadelijke stoffen uit tabaksrook de
placenta kunnen passeren, is nog onduidelijk of het
ongeboren kind er nadelen van ondervindt als de
niet-rokende moeder tijdens de zwangerschap geregeld
tabaksrook inademt. (Gezondheidsraad, 1990)
2.3.2
De Nederlandse markt
Consumptie
Het
grootste deel van het bedrag dat de consument uitgeeft aan
tabak komt terecht bij de Nederlandse overheid. Die
overheid strijkt ieder jaar een flinke som op in de vorm
van accijnzen en belastingen over de verkoop van tabaksproducten. In 1993 was dat 3,6 miljard gulden,
terwijl de totale omzet aan tabakswaar 5,3 miljard bedroeg
(Stegeman, 1994). In 1991 en 1992 rookten ongeveer 4,2
miljoen Nederlanders boven de 15 jaar (34%) (de Zwart
e.a., 1993). Gemiddeld consumeert een roker 18,1
sigaretten per dag (Stivoro, 1996).
Uit
cijfers die afkomstig zijn uit de zogenaamde Eurobarometer
komt naar voren dat niet 34% van de Nederlanders boven de
15 jaar zou roken maar 40% (de Zwart e.a., 1993). Het
genoemde percentage is in relatie tot het Europees
gemiddelde hoog te noemen; zie tabel 2.3.2. Alleen het
percentage rokende Denen is nog hoger, namelijk 44%.

Uit
het 4e Peilstations-onderzoek (de Zwart e.a., 1997) naar
roken, drinken, druggebruik en gokken onder bijna 10.000
scholieren komt naar voren dat 47% van de jongeren vanaf
10 jaar wel eens heeft gerookt. De Zwart spreekt dan over
life-time prevalence (LTP). Ruim een vijfde deel (22%) van
alle deelnemende scholieren heeft in de 4 weken voor het
onderzoek gerookt. Van de 12-plussers heeft 56% wel eens
gerookt (LTP). De helft van deze ‘ooit-rokers’ heeft
in de 4 weken voor het onderzoek gerookt.
Distributie
Alle
grote tabaksmerken stellen zich graag op als de moderne
Maecenas. Zij leveren al jaren een flinke bijdrage aan de
budgetten voor organisatie van evenementen van culturele
of sportieve aard. Zo zijn tal van maatschappelijke
instanties in meer of mindere mate direct financieel
afhankelijk geworden van deze sponsortoelagen. Belangrijke
internationale voorbeelden van sportsponsoring zijn
ondermeer de auto- en motorsport, watersportevenementen en
paardensport. In Nederland kennen we ook de sponsoring van
cabaret, theater, opera, jazz- en popfestivals en andere
speciale evenementen. Bij dergelijke sponsoring zijn
doorlopend tabaksmerken ‘in beeld’. Wanneer deze
gesponsorde evenementen op televisie worden uitgezonden,
omzeilt men het verbod op televisiereclame voor tabak. In
al deze uitzendingen is het tabaksmerk direct tegen de
achtergrond van het (sport)evenement geplaatst. Dat is een
gunstige omgeving voor een fabrikant die zijn produkt een
populair imago wil meegeven. (Stegeman, 1994)
Ook
creëert de tabaksindustrie zelf nieuwe speciale
evenementen. Daarbij gebruikt men een merk of een product met bijna dezelfde naam als het oorspronkelijke
tabaksproduct. Zo kennen we: Pall Mall Leisure Wear (een
kledingmerk dat watersport evenementen sponsort), Pall
Mall Movie Productions, de Camel Trophy, Peter Stuyvesant
Travel (advertenties voor bijzondere reizen), Caballero
(idem), Lucky Strike’s American Weekend, Marlboro’s
Beach Concert, Drum’s Rythm Festival, enzovoort. (Stegeman,
1994)
In
de ons omringende landen is men al veel verder met
maatregelen ter beperking van het roken. Zo is
bijvoorbeeld in een aantal Europese landen de verkoop van
tabak aan jongeren verboden. Nederland heeft wиl
zo’n verkoopverbod voor alcoholhoudende dranken maar
niet voor tabak. (Stegeman, 1994)
2.3.3
Conclusie
Het
is duidelijk dat het roken van tabak slecht is voor de
gezondheid. Hierbij valt te denken aan allerlei ziekten
van de ademhalingsorganen en het hart- en vaatstelsel.
Gemiddeld leeft een roker dan ook 7,5 jaar korter dan een
niet-roker. Hierbij kan men van de in tabak aanwezige
nicotine na korte tijd behoorlijk afhankelijk worden en
heeft een roker ook steeds meer nicotine nodig om
hetzelfde effect te krijgen. Naast de hiervoor beschreven
negatieve gevolgen voor de roker zijn er ook negatieve
gevolgen voor kinderen van rokende ouders en ongeboren
kinderen van rokende moeders. Ondanks genoemde bezwaren
rookt maar liefst ongeveer 34% van de Nederlanders boven
de 15 jaar; het gaat dan om zo’n 4,2 miljoen personen
die met elkaar een omzet genereren van 5,3 miljard gulden.
Door sponsoring van allerlei grote evenementen weet de
tabaksindustrie het verbod op televisiereclame te
omzeilen. Denk bijvoorbeeld aan sportevenementen waar de
naam van een sigarettenmerk constant in beeld is.
Hiernaast creëert de tabaksindustrie nieuwe
evenementen zoals bijvoorbeeld de Camel Trophy. Opvallend
is verder dat het in Nederland, in tegenstelling tot een
aantal andere Europese landen, niet is verboden tabak aan
jongeren te verkopen. Tenslotte wordt, in vergelijking met
andere Europese landen, door veel Nederlanders gerookt;
alleen in Denemarken is het percentage hoger.
2.4
Softdrugs
Marihuana
en hasj vallen onder de noemer softdrugs en worden beide
gemaakt uit een plant met de Latijnse naam Cannabis Sativa.
De Nederlandse naam voor die plant is hennep. Marihuana
bestaat uit de gedroogde vrouwelijke bloemtoppen en is
groenbruin van kleur. Een andere naam voor marihuana is
‘weed’ of ‘wiet’. De tot plakken of blokken
geperste hars van de hennepplant heet hasj of stuff en is
lichtbruin tot zwart van kleur. (Trimbos-instituut1,
1997)
2.4.1
Werking en gebruik
Het
werkzame bestanddeel in de hennep heet kortweg THC. Hoe
warmer het klimaat waarin de hennep groeit, hoe meer THC
erin zit. Ook Nederlandse ‘wiet’, die onder vrijwel
ideale omstandigheden in kassen is gekweekt, bevat vaak
veel THC. (Trimbos-instituut, 1997)
THC
versterkt de stemming. Wie zich niet zo gelukkig voelt,
kan zich er nog rotter door gaan voelen. Bij iemand die
zich goed voelt, valt het echter meestal prettig; hij
wordt er ‘high’ van. THC beïnvloedt ook de
waarneming; kleuren en muziek worden intenser ervaren.
Hiernaast verandert het gevoel voor ruimte en tijd en
slaat ook de fantasie op hol. Sommige mensen krijgen
ineens zin om veel te eten (‘vreetkick’), anderen de
slappe lach (‘lachkick’). Ook is het mogelijk dat de
gebruiker door angst wordt overvallen. Verder verslapt THC
de spieren, maakt de mond droog, de ogen rood, verwijdt de
pupillen en versnelt de hartslag. Sommige van deze
effecten kan de gebruiker als vervelend ervaren. (Trimbos-instituut,
1997)
Hasj
en weed worden meestal vermengd met tabak en dan met één of meer vloeitjes tot een ‘stickie’ of
‘joint’ gerold. Het roken van zo een ‘joint’ heet
‘blowen’. Ook is het mogelijk om softdrugs in het eten
te verwerken. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan
verwerking in de thee of in een taart (‘space-cake’).
Een ‘stickie’ of ‘joint’ werkt al na een paar
minuten en twee tot vier uur later is het effect weg. Een
‘space-cake’ werkt echter vaak pas na een uur.
Hierdoor bestaat het gevaar dat de gebruiker een te grote
hoeveelheid THC binnen krijgt. (Trimbos-instituut, 1997)
THC
vermindert het concentratievermogen, het reactievermogen
en het korte termijn geheugen. Logisch nadenken wordt uit
het oog verloren. THC en werken, huiswerk maken of
studeren gaan dan ook niet samen. De meeste wetenschappers
achten echter niet bewezen dat langdurig gebruik van THC
leidt tot blijvende invloed op de hersenen, het hart- en
vaatstelsel en het immuunsysteem. Hiernaast kan op langere
termijn schade optreden aan de luchtwegen. Dit komt omdat
de consument de rook van joints en stickies doorgaans diep
inhaleert en lang in de longen vasthoudt. Een bijkomend
gegeven is dat die rook nog meer kankerverwekkende stoffen
bevat dan die van tabak alleen. De negatieve gevolgen van
het ‘blowen’ zijn dus ten eerste toe te schrijven aan
het gebruik van tabak, ten tweede aan het dieper inhaleren
en ten derde aan het toevoegen van een softdrug. Door het
toevoegen van een softdrug aan tabak neemt de kans op
longkanker toe. Hiernaast zijn er natuurlijk de negatieve
effecten die toe te schrijven aan het gebruik van tabak,
zoals beschreven in paragraaf 2.3.1. Effecten op de korte
termijn van het gebruik van THC zijn: ontspanning,
versterking gevoelens en vermindering van concentratie- en
reactievermogen. Bij een hoge dosering kan angst, paniek
en soms bewustzijnsverlies optreden. Zie tabel 2.4.1. (Trimbos-instituut,
1997)
Bij
het gebruik van THC treedt geen lichamelijke
afhankelijkheid op; het lichaam protesteert dus niet
wanneer een consument met het gebruik stopt. Ook heeft de
gebruiker niet steeds meer nodig om hetzelfde effect te
bereiken: geen toenemende tolerantie. Bij een deel van de
gebruikers is wel sprake van geestelijke afhankelijkheid.
Dit houdt in dat de gebruiker dan steeds sterker naar het
middel verlangt en zich eigenlijk niet meer prettig kan
voelen zonder. Zie tabel 2.4.1. (Trimbos-instituut, 1997)

2.4.2
De Nederlandse markt
Consumptie
Het
Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs schat het
totaal aantal personen dat in Nederland regelmatig
cannabis gebruikt op 675.000. In een recente Rotterdamse
studie naar riskante leefgewoonten geeft van de Goor
(1994) aan dat ongeveer 20% van de respondenten wel eens
softdrugs heeft gebruikt. Onder kamerleden is dit
percentage overigens hoger, namelijk 27% (Hendriks
e.a., 1994). Naar de omvang van de binnenlandse markt voor
softdrugs zijn verschillende schattingen gedaan. Volgens
een recente schatting zou de jaarlijkse consumptie door
Nederlanders, in geld uitgedrukt, zo’n 500 miljoen
gulden bedragen. De gehele binnenlandse afzet, inclusief
de verkoop aan drugtoeristen, zou op 800 miljoen uitkomen.
(Ministerie VWS, 1995)
Naar
schatting bestaat de Nederlandse consumptie van cannabis
thans voor de helft uit nederwiet. De andere helft betreft
hasjsoorten uit Azië, het Midden-Oosten en
Noord-Afrika en een gering volume aan marihuana uit met
name Colombia. De Marokkaanse hasj neemt hiervan bijna
driekwart voor zijn rekening. (Ministerie VWS, 1995)


Het
gebruik van softdrugs in Nederland wijkt volgen VWS (1995)
qua omvang en aard niet af van het patroon elders in de
Westerse wereld. De laatste jaren ligt het gebruik in
onder meer de Verenigde Staten opnieuw beduidend hoger dan
in ons land. Dit geldt evenzeer voor minderjarigen. De
decriminalisering2 in de jaren zeventig heeft toentertijd
ook niet geleid tot een toeneming van het gebruik onder
jeugdigen. Ondanks dat personen die zich bezig houden met
de verkoop van softdrugs zich aan strikte voorwaarden
moeten houden (zie bij distributie) toont recent onderzoek
aan dat het gebruik van hasj of marihuana onder scholieren
van 12 tot 18 jaar is gestegen van 7% in 1992 naar 11% in
1996 (de Zwart e.a., 1997). Het gaat dan om gebruik in de
vier weken voor het onderzoek. Een stijging van gebruik
van softdrugs doet zich overigens in de hele westerse
wereld voor. In tabel 2.4.2a en 2.4.2b is het verbruik
onder scholieren weergegeven naar leeftijd en geslacht (de
Zwart e.a., 1997).
Distributie
Softdrugs
staan op lijst II van de Opiumwet en vallen onder de
verboden van artikel 3, te weten:
Het
is verboden de middelen, vermeld op de bij deze wet
behorende lijst II:
A.
binnen of buiten het grondgebied van Nederland te
brengen;
B.
te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af
te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C.
aanwezig te hebben;
D.
te vervaardigen.
Artikel
11 van de Opiumwet geeft aan welke maximale straffen er
staan op het overtreden van artikel 3:
1.
Hij die handelt in strijd met een in artikel 3 gegeven
verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een
maand of geldboete van de tweede categorie.
2.
Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel
3, onder B, C of D gegeven verbod, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren en een
geldboete van de vierde categorie, hetzij met één van deze straffen.
3.
Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel
3, onder A, gegeven verbod, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en een
geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen.
4.
Het tweede lid is niet van toepassing, indien het feit
een hoeveelheid betreft van de in artikel 3 bedoelde
middelen van ten hoogste 30 gram.
Ondanks
het wettelijke verbod is de beschikbaarheid van softdrugs
tegenwoordig in de steden in de Westerse wereld overal
groot. In Nederland zijn maar liefst tussen de 1100 en
1200 hasjcoffeeshops en naar schatting 9900 illegale
verkooppunten van cannabis. Het ministerie van VWS maakt
onderscheid tussen de ‘gedoogde’ hasjcoffeeshops en
illegale verkooppunten als cafés, videotheken,
fitnesszalen en woonhuizen (1995). In de volgende alinea
wordt verder op het gedogen ingegaan.
Ter
afscherming van de cannabisgebruikers van het criminele
circuit wordt in Nederland de kleinhandel in softdrugs,
die voldoet aan bepaalde strikte criteria bij de opsporing
en vervolging, een zodanig lage prioriteit gegeven dat
hiertegen de facto niet wordt opgetreden (gedoogd). Dit
strafrechtelijke beleid - zoals verwoord in de in oktober
1994 door de procureurs-generaal vastgestelde richtlijn
‘Opsporingsbeleid inzake de coffeeshops’,
Staatscourant 1994, nr. 203 - is er op gericht het in het
lokale driehoeksoverleg3 met betrekking tot coffeeshops
vastgestelde beleid te ondersteunen. Onder strikte
voorwaarden - geen affichering, geen verkoop van
harddrugs, geen overlast, geen verkoop aan jeugdigen
beneden de 18 jaar en geen verkoop van meer dan dertig
gram per persoon - wordt niet strafrechtelijk opgetreden
tegen personen die zich bezig houden met de verkoop van
softdrugs in ‘droge’ (geen alcohol)
horeca-inrichtingen waarover in het driehoeksoverleg
overeenstemming is bereikt (Ministerie VWS, 1995). De
genoemde OM-richtlijn is recent op twee punten aangepast,
te weten:
a)
Er vindt geen gerichte opsporing plaats indien
exploitanten van coffeeshops zich aan de gemeentelijke
en strafrechtelijke voorwaarden houden en in dat verband
in die coffeeshop een voorraad van maximaal enkele
honderden grammen in bezit hebben (Ministerie VWS,
1995).
b)
De toegestane verkoop door de shops zal worden beperkt
tot 5 gram per klant (Ministerie VWS, 1995).
Productie
De
productie van nederwiet vindt plaats in illegale
kwekerijen. Er zouden in Nederland naar schatting (VWS,
1995) enige tienduizenden nederwiettelers actief zijn en
er werden in 1994 323 kwekerijen aangepakt waarbij 558.000
nederwietplanten werden aangetroffen en vernietigd. Het
aantal Growshops4 heeft zich hierbij volgens Jansen (1996)
in de loop der tijd in Nederland stormachtig ontwikkeld:
van minder dan 10 in 1990 tot bijna 100 in 1995.
2.4.3
Conclusie
In
vergelijking met tabak of alcohol is THC een betrekkelijk
onschadelijk middel; je hebt niet steeds meer nodig om
hetzelfde effect te krijgen, het is lichamelijk niet
verslavend en ook de gevolgen voor de gezondheid zijn
gering. Wel kan geestelijke afhankelijkheid optreden en
geeft het roken van cannabis, in vergelijking met het
roken van enkel tabak, een verhoogde kans op longkanker.
Gelet op de gevolgen voor de volksgezondheid is het vreemd
dat cannabis wel op lijst II van de Opiumwet staat en dus
verboden is en tabak en alcohol niet. Zo een 675.000
Nederlanders gebruikt regelmatig cannabis en de jaarlijkse
consumptie door Nederlanders is naar schatting, in geld
uitgedrukt, 500 miljoen gulden. Ondanks maatregelen, die
moeten voorkomen dat jeugdigen softdrugs gaan gebruiken,
neemt het gebruik in deze groep juist sterk toe: van 7% in
1992 naar 11% in 1996.
2.5
XTC
In
het Engels uitgesproken geven de letters de woordklank
ecstasy, wat extase betekent. XTC is in de vorm van pillen
of capsules te koop. Ze hebben verschillende kleuren en
vormen en zijn vaak voorzien van een afbeelding. Vaak
hebben de pillen een naam die verband houdt met de vorm of
de afbeelding die erop staat, bijvoorbeeld:
‘tonnetje’, ‘hartje’, ‘dolfijntje’ en
‘duifje’. XTC of ‘ecstasy’ is de populaire naam
voor de stof 3,4-methyleendioxymethamfetamine of afgekort
MDMA. (Voorlichtingsbureau Drugs, 1997b)
MDMA
werd rond 1900 voor het eerst in een laboratorium ontdekt
en in 1914 is zelfs voor de bereiding van MDMA patent
aangevraagd (Trimbos-instituut, 1996). In de Verenigde
Staten is het in de jaren ’70 af en toe experimenteel in
de psychiatrie gebruikt, omdat patiënten er opener
en spraakzamer van werden. Het middel kwam daarna op de
zwarte markt terecht en werd onder de naam XTC populair in
discotheken. In de jaren tachtig dook het op in Europa.
Ondanks wettelijke verboden, zoals in de Verenigde Staten
in 1985 en in Nederland in 1988, is de verspreiding
toegenomen. (Voorlichtingsbureau Drugs, 1997b)
2.5.1
Werking en gebruik
XTC
behoort tot de klasse van de fenylethylamines en heeft een
chemische structuur die overeenkomsten vertoont met die
van amfetamine en de hallucinogene stof mescaline (Trimbos-instituut,
1996). De gebruiker wordt opgepept. Hij krijgt zowel
lichamelijk als geestelijk een energiek gevoel.
Vermoeidheid wordt onderdrukt. Als de pil uitgewerkt is,
komt de vermoeidheid echter in versterkte mate terug.
Tegelijkertijd wordt de waarneming intenser en ontstaat
een gevoel van milde euforie. Onder invloed van XTC worden
mensen sneller intiem en vertrouwelijk met anderen. De
sterkte van deze effecten hangt af van de sterkte van de
pillen en de ingenomen dosis. Maar ook van de stemming, de
verwachting en de conditie van de gebruiker.
(Voorlichtingsbureau Drugs, 1997b)
Een
ingenomen pil of capsule begint na 20 tot 60 minuten te
werken. Het eerste uur daarna is het effect het sterkst.
Na 4 tot 6 uur is de pil uitgewerkt. Sommige gebruikers
blijven ook de volgende dag een licht na-effect voelen.
Dat kan een prettig maar ook een leeg en gedeprimeerd
gevoel zijn. Een depressieve of chagrijnige stemming kan
dagen blijven hangen. Daarnaast komen een stijf gevoel in
de kaken, hartkloppingen, een droge keel en mond,
misselijkheid en benauwdheid voor. Af en toe zijn de
bewegingen moeilijk te coördineren. Deze onaangename
bijeffecten kunnen tot paniek leiden (Voorlichtingsbureau
Drugs, 1997b). In ‘normale’ doseringen (circa 100 mg)
treden meestal geen hallucinogene effecten op (Trimbos-instituut,
1996). Ook kan het gebruik van XTC leiden tot ernstige
acute gezondheidsschade zoals oververhitting en
uitdroging, incidenteel zelfs met dodelijke afloop. Tevens
kan er ernstige lever- en nierschade optreden (Ministerie
VWS, 1995). Onderzoeken bij proefdieren tonen verder
schadelijke effecten van XTC op de hersenen aan. Bij de
mens is hierover nog geen duidelijkheid (Trimbos-instituut,
1996). Zie ook tabel 2.5.1.

Enerzijds
is XTC een stimulerend middel met een oppeppende werking.
Anderzijds is er een bewustzijnsveranderend effect: de
waarneming wordt intenser en het gevoel van verbondenheid
met anderen neemt toe. Met de vraag ‘Wat zit in XTC?’
is meteen één van de problemen rond XTC
aangeroerd: vaak worden pillen als ‘XTC’ verkocht,
terwijl ze het in werkelijkheid niet zijn. Dan zit er geen
MDMA in, maar iets wat erop lijkt of totaal andere
stoffen. Stoffen die heel anders en onvoorspelbaar kunnen
werken. Of helemaal niet. (Voorlichtingsbureau Drugs,
1997b)
Tot
op heden is het aantal problematische gebruikers van XTC
dat in contact komt met de hulpverlening relatief gering.
Van de ruim 27.000 in 1994 nieuw ingeschreven cliënten van de Consultatiebureaus voor Alcohol en Drugs (ambulante
verslavingszorg) waren er slechts 22 met XTC-gebruik als
primair probleem. (Trimbos-instituut, 1996)
2.5.2
De Nederlandse markt
Consumptie
Aanvankelijk
werd XTC in Nederland in besloten kring gebruikt, vaak
voor spirituele doeleinden. Momenteel wordt XTC als
‘party- of dansdrug’ meestal geassocieerd met
houseparty’s, discotheken en andere, vaak grootschalige,
evenementen. Gebruik vindt echter ook buiten dit
uitgaanscircuit plaats. Uit epidemiologisch onderzoek en
veldobservaties blijkt dat XTC-gebruikers overwegend
blanke jongeren en jongvolwassenen zijn. Het merendeel is
man. De sociale achtergrond is divers en varieert van hoog
opgeleide trendy gebruikers tot laagopgeleide
randgroepjongeren en voetbalsupporters. XTC-gebruik wordt
weinig aangetroffen onder heroïne en/of cocaïneverslaafden.
(Trimbos-instituut, 1996)
Epidemiologische
gegevens over de omvang van het gebruik van XTC in de
totale Nederlandse bevolking ontbreken. Schattingen van
experts variëren van 20.000 tot een half miljoen
mensen die ooit XTC hebben gebruikt, op een totale
bevolking van 15 miljoen. Op basis van observaties op
houseparty’s wordt gesuggereerd dat 10% tot 40% van de
circa 2.000-20.000 bezoekers per feest XTC gebruikt. (Trimbos-instituut,
1996)
XTC
is de meest populaire harddrug onder scholieren van boven
de 12 jaar: 3,3% gaf in 1992 aan dit middel ooit
geprobeerd te hebben en 1% had in de maand voor het
onderzoek nog gebruikt. Bij herhaling van dit onderzoek in
1996 (de Zwart e.a., 1997) bleken deze percentages
aanmerkelijk te zijn gestegen naar respectievelijk 5,6% en
2,2%. (Trimbos-instituut, 1996)
Resultaten
van onderzoek uit 1994 naar druggebruik onder de
Amsterdamse bevolking vanaf 12 jaar tonen aan dat het
gebruik van XTC in de maand voorafgaand aan het onderzoek
(recent gebruik) op het niveau ligt van het gebruik van cocaïne: respectievelijk 0,9% en 0,8% (Sandwijk
e.a., 1995). De meeste XTC-gebruikers behoren tot de
leeftijdsgroep 20-29 jaar (Trimbos-instituut, 1996). Ten
opzichte van een vergelijkbaar onderzoek uit 1990 is het
recent gebruik van XTC flink gestegen: van 0,1% naar 0,9%
(Sandwijk e.a., 1995). Voor de groep van 16-19 jaar is dit
gebruik zelfs gestegen van 0,4% in 1990 naar 4,8% in 1994.
Deze gegevens betreffen echter Amsterdam en zijn niet
representatief voor heel Nederland.
Distributie
Bij
besluit van de Staatssecretaris van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur no. 711 982 valt XTC onder
lijst I van de Opiumwet:
Als
middel bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, van de
Opiumwet worden aangewezen: DMA (2.5-dimethoxyamfetamine);
DOET (2.5-dimethoxy-4-ethylamfetamine). MDMA
(3.4-methyleendioxymethamfetamine) MMDA
(5-methoxy,-3.4-methyleendioxyamfetamine) PMA
(4-methoxyamfetamine); TMA (3.4.5-trimethoxyamfetamine).
Omdat
XTC op lijst I van de Opiumwet staat is het wettelijk
gezien dus een harddrug. Voor harddrugs gelden de
bepalingen van artikel 2:
1.
Het is verboden:
a.
de middelen vermeld op de bij deze wet behorende lijst
1,
b.
de middelen aangewezen krachtens het tweede of derde
lid van dit artikel,
A.
binnen of buiten het grondgebied van Nederland te
brengen;
B.
te bereiden , te bewerken, te verwerken, te verkopen, af
te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C.
aanwezig te hebben;
D.
te vervaardigen.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden
aangewezen:
a.
bewustzijnsbeïnvloedende middelen, welke bij
aanwending bij de mens kunnen leiden tot schade voor
zijn gezondheid en schade voor de samenleving;
b.
middelen, welke onder de werking van het Enkelvoudig
Verdrag zijn gebracht.
3.
Indien aanwijzing van een middel krachtens het tweede
lid in overweging is, en naar het oordeel van Onze
Minister een onverwijlde voorziening is vereist, kan
aanwijzing geschieden bij besluit van Onze Minister. Dit
besluit blijft, behoudens eerdere intrekking, van
kracht, totdat de algemene maatregel van bestuur waarbij
het betreffende middel wordt aangewezen, in werking
treedt, doch uiterlijk tot een jaar na het in werking
treden van het besluit.
4.
Een besluit ingevolge het derde lid wordt geplaatst in
de Nederlandse Staatscourant.
Artikel
10 van de Opiumwet geeft aan welke maximale straffen er
staan op het overtreden van onder andere artikel 2:
1.
Hij die handelt in strijd met:
a.
een in artikel 2, eerste lid, het in artikel 3b, eerste
lid, of een in artikel 4, derde of vierde lid, gegeven
verbod;
b.
één der krachtens artikel 3a, tweede lid,
artikel 4, eerste of tweede lid, artikel 5, eerste lid,
of artikel 6, tweede of derde lid, gegeven
voorschriften;
c.
één der voorschriften verbonden aan een
verlof als bedoeld in artikel 6 of gesteld bij het
besluit lot intrekking als bedoeld in artikel 7;
wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de vierde categorie.
2.
Hij die opzettelijk handelt in strijd met het in artikel
2, eerste lid, onder C, het in artikel 3b, eerste lid,
of het in artikel 4, derde lid, gegeven verbod, wordt
gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier
jaren en geldboete van de vijfde categorie, hetzij met
één van deze straffen.
3.
Hij die opzettelijk handelt in strijd met het in artikel
2, eerste lid, onder B of D, gegeven verbod, wordt
gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste acht
jaren en geldboete van de vijfde categorie, hetzij met
één van deze straffen.
4.
Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel
2, eerste lid, onder A, gegeven verbod, wordt gestraft
hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren
en geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen.
5.
Indien het feit, bedoeld in het tweede onderscheidenlijk
het vierde lid, betrekking heeft op een geringe
hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik, wordt
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de derde categorie opgelegd.
Het
Nederlandse drugbeleid is erop gericht om door middel van
een krachtige strafrechtelijke aanpak van de handel de
drempels voor gebruik van harddrugs zo hoog mogelijk te
houden. De aankoop van harddrugs speelt zich af in de
illegaliteit en de opsporing van criminele organisaties
die zich met de handel in harddrugs bezighouden, is reeds
vele jaren de topprioriteit van de Nederlandse recherche
(Ministerie VWS, 1995). Ondanks dit alles zijn harddrugs
als XTC eenvoudig te verkrijgen. Via netwerken van dealers
en subdealers (vaak zelf feestgangers) komt XTC bij de
gebruikers terecht (Voorlichtingsbureau Drugs, 1997b).
Het
gebruik van harddrugs is in Nederland, zoals ook in veel
andere landen, op zichzelf overigens niet strafbaar. De
harddruggebruiker wordt eerder als patiënt dan als
crimineel beschouwd (Ministerie VWS, 1995). Een XTC-pil
kost momenteel tussen twintig en dertig gulden. Er is
meestal geen verband tussen de prijs en de kwaliteit, in
termen van samenstelling en zuiverheid.
Productie
XTC
wordt gemaakt in illegale laboratoria.
(Voorlichtingsbureau Drugs, 1997b) Hierbij speelt
Nederland een belangrijke rol als productieland voor XTC
en amfetaminen (Ministerie VWS, 1995). Bijvoorbeeld 75%
van de in de eerste maanden van 1994 in Duitsland in
beslag genomen amfetaminen kwamen uit Nederland. Voor de
XTC-achtige verbindingen bedroeg dit maar liefst 90%.
De
geproduceerde pillen kunnen qua samenstelling nogal variëren.
Uit verschillende bronnen blijkt dat vooral pillen die in
het uitgaanscircuit als XTC worden verkocht sterk
uiteenlopende doseringen MDMA kunnen bevatten. Veel
‘XTC’ pillen die vanaf 1992 op samenstelling getest
zijn blijken bovendien grotendeels te bestaan uit andere
middelen, zoals cafeïne of amfetamine. Ook kan een
XTC pil uit nepstoffen bestaan zoals biergist of
paracetamol. Vaak lijken de verschillende pillen uiterlijk
op populaire XTC pillen en worden onder deze noemer
verkocht (‘look-alikes’). Door experts wordt een
verband gesuggereerd tussen de strafbaarstelling van MDMA
in 1988 en de vervuiling van de XTC- markt. (Trimbos-instituut,
1996)
XTC
en verwante amfetamineachtige stoffen zijn relatief
eenvoudig te synthetiseren. De hiervoor benodigde chemicaliën
worden grotendeels uit België en
Duitsland ingevoerd en sinds enige jaren ook uit
Oost-Europa, China, Italië, Denemarken en Frankrijk.
In Nederland worden deze drugs zowel voor de binnenlandse
als de buitenlandse markt geproduceerd. In 1993 zijn 12
laboratoria opgerold die vooral voor de Britse en de
Zweedse markt produceerden. Om de productie tegen te gaan
is in juli 1995 de wet ‘Voorkoming Misbruik Chemicaliën’
van kracht geworden, waarmee ook de uitgangsstoffen voor
de synthese van XTC onder een vergunningstelsel zijn
gebracht. Verder valt op te merken dat het aantal
onderzoeken tegen producenten van synthetische drugs de
afgelopen jaren is toegenomen. (Trimbos-instituut, 1996)
2.5.3
Conclusie
XTC
is een middel dat de overheid zo gevaarlijk vindt dat het
samen met heroïne en cocaпne op lijst I van de
Opiumwet geplaatst is; het gaat dus om een harddrug. Als
het middel gebruikt wordt door een gezond persoon, in een
voldoende geventileerde ruimte en als deze gezonde persoon
geen overdosis neemt is er echter sprake van een geringe
schadelijkheid voor de gezondheid. Hierbij moet opgemerkt
worden dat de gevolgen op de lange termijn onbekend zijn.
Ondanks het feit dat er relatief zware straffen staan op
de handel en de productie van XTC is het middel eenvoudig
te verkrijgen en zijn er naar schatting 20.000 tot 500.000
Nederlanders die ooit XTC hebben gebruikt. Hierbij valt
aan te tekenen dat het gebruik onder scholieren in 1996
aanmerkelijk hoger ligt dan in 1992. Als het gebruik van
XTC echter wordt vergeleken met het gebruik van tabak,
alcohol en cannabis moet vastgesteld worden dat het
percentage scholieren dat XTC gebruikt aanmerkelijk minder
is: 5,6% heeft ooit gebruikt en 2,2% heeft in de maand
voor het onderzoek nog gebruikt.
2.6
Cocaïne
Vervaardiging
vindt plaats uit de bladeren van de coca. Dit is de naam
voor twee plantensoorten uit de familie van de
Erythroxylaceae, namelijk de ‘Erythroxylon coca’ en de
‘Erythroxylon novogranatense’. Eerstgenoemde is
inheems in Peru en Bolivia, de ander in Colombia. (WP
redactie, 1976)
2.6.1
Werking en gebruik
De
belangrijkste farmacologische effecten van cocaïne zijn: blokkering van de geleiding van de zenuwen en
stimulering van het centrale zenuwstelsel. De blokkering
maakt cocaïne geschikt als lokaal anestheticum, maar
wegens grote giftigheid is zij voor dit doel grotendeels
vervangen door synthetische preparaten als procaпne
en benzocaпne. Van de stimulerende werking is
vergrote capaciteit van de spierarbeid een eerste
symptoom. Cocaïne veroorzaakt verder een euforie en
ongevoeligheid voor honger en pijn. In Peru en Bolivia
kauwen de Indianen op cocabladeren als middel tegen honger
en kou. Tot 1906 werd cocaïne aan Coca-Cola
toegevoegd. Als genotmiddel wordt cocaïne voornamelijk gesnoven, waardoor er op den duur gaten in
het neustussenschot kunnen ontstaan. Bij herhaald gebruik
kan een, voornamelijk, geestelijke verslaving ontstaan.
Zie verder tabel 2.6.1. (WP redactie, 1976)

In
een onderzoek van Cohen en Sas (1993) geven gebruikers van
cocaïne in volgorde van belangrijkheid en in hun
eigen woorden de volgende vijf voordelen:
1.
geeft energie,
2.
vergemakkelijkt de communicatie,
3.
je krijgt een ‘high’ of ‘relaxed’ gevoel,
4.
je creativiteit neemt toe,
5.
je krijgt meer zelfvertrouwen.
Negatieve
gevolgen van cocaïnegebruik zijn volgens de
respondenten uit hetzelfde onderzoek:
1-2.
hoge kosten en nadelige lichamelijke effecten,
3.
je voelt je de volgende dag erg moe,
4.
het zet aan tot overmatig drankgebruik,
5.
schuldgevoelens, slapeloosheid en egocentrisme.
Verder
werd depressiviteit als gevolg van cocaïnegebruik slechts door
één van de 64 respondenten
genoemd.
2.6.2
De Nederlandse markt
Consumptie
Cocaïne
is één van de onbekendere drugs. Van sommige
drugs is min of meer bekend wie de gebruikers zijn. Van
cannabis bijvoorbeeld weet men dat de gebruikers vooral
jongeren zijn, van wie er naarmate zij ouder worden, er
steeds minder blijven gebruiken. Ook van heroïne is
min of meer bekend wie de ‘vaste’ gebruikers zijn. Via
de hulpverlening heeft men immers contact met een deel van
de gebruikers, al weet men nooit precies om welk deel van
de gebruikers het dan gaat, hetgeen ondermeer afhangt van
de aard van de hulpverlening (of deze laag- of
hoogdrempelig is etc.). In ieder geval weet men van heroïnegebruikers
die bekend zijn bij de hulpverlening dat zij relatief oud
zijn en dat hun gemiddelde leeftijd nog steeds stijgt, wat
er op duidt dat er weinig aanwas is van jonge gebruikers.
Het is bekend dat er naast de vaste gebruikers, de
verslaafden, ook nog gelegenheidsgebruikers van heroïne zijn, onder wie
cocaïnegebruikers die af en toe wat heroïne bijgebruiken. (Boekhout van Solinge, 1996)
Maar
over de gebruikers van cocaïne is minder bekend.
Noch politie en justitie, noch de hulpverlening hebben
veel contact met cocaïnegebruikers. Een belangrijke
reden hiervoor is dat de gebruikers over het algemeen niet
zijn gemarginaliseerd. Zij hoeven niet te stelen om de
stof te kunnen kopen en weten blijkbaar goed om te gaan
met hun gebruik zodat zij niet bij de hulpverlening
aankloppen (Boekhout van Solinge, 1996). Uit onderzoek van
Cohen en Sas (1993) blijkt ook dat maar liefst 36% van de
respondenten die cocaïne gebruiken universitair
onderwijs heeft genoten en dat 25% een HBO opleiding heeft
gevolgd.
Cocaïne
heeft sinds de jaren zeventig de naam een upper class- of
society-drug te zijn. In bepaalde milieus zoals de beurs,
media, de modewereld, de journalistiek, (pop)muziekwereld
en politiek, zou relatief ‘veel’ cocaïne worden
gebruikt. Er bestaan echter geen gegevens over deze
gebruikersgroepen. (Boekhout van Solinge, 1996)
Uit
het Amsterdamse onderzoek (Sandwijk e.a., 1995) komt naar
voren dat 6% van de respondenten wel eens cocaïne geprobeerd heeft (Life Time Prevalence). Recent heeft 0,8%
van de respondenten in 1994 cocaïne gebruikt (Last
Month Prevalence); in 1990 was dit nog 0,3%. Van de
scholieren heeft 2,9% wel eens cocaïne gebruikt (de
Zwart e.a., 1997). Opvallend is dat het gebruik onder VWO
leerlingen beduidend lager is dan onder andere leerlingen:
1,7% voor jongens en 0,6% voor meisjes. Gemiddeld is dit
respectievelijk 3,4% en 2,4%.
Distributie
Net
als XTC staat cocaïne op lijst I van de Opiumwet.
Ook hier gaat het dus om een harddrug. Op onder andere
handel en distributie van dit middel staan relatief zware
straffen. Zie ook paragraaf 2.5.2.
Door
een krachtige strafrechtelijke aanpak van de handel tracht
Nederland de drempels voor gebruik van cocaïne zo
hoog mogelijk te houden. De aankoop van cocaïne speelt zich, net als de aankoop van andere harddrugs, af
in de illegaliteit en de opsporing van criminele
organisaties die zich met de handel in cocaïne bezighouden, heeft een hoge prioriteit. Het gebruik van
cocaïne is op zichzelf overigens niet strafbaar.
(Ministerie VWS, 1995)
De
in Nederland verhandelde cocaïne komt voornamelijk
uit Colombia en Venezuela. Verschillende landen in Zuid-
en Midden-Amerika alsmede het Caribische gebied waaronder
Nederlandse Antillen en Aruba spelen een rol bij de
uitvoer. Colombiaanse organisaties, veelal uit Cali,
hebben het merendeel van zendingen naar Europa in handen.
Ook ten aanzien van cocaïne lijken landen in Oost-
en Midden-Europa een belangrijke rol te gaan spelen.
(Ministerie VWS, 1995)
In
tegenstelling tot heroïne wordt cocaïne wel in
grote hoeveelheden onderschept. Volgens de Centrale
Recherche Informatiedienst is in 1993 3.720 kg cocaïne in beslag genomen. Afgaande op het verschil tussen de
hoeveelheden die worden geproduceerd en de hoeveelheden
die worden onderschept, kan men zich niet aan de indruk
onttrekken dat er een enorme markt voor cocaïne is (Cohen
en Sas 1993). Bij de bestrijding van deze drughandel wordt
veel waarde gehecht aan internationale samenwerking. Deze
is onder meer geformaliseerd in het VN-verdrag tegen de
sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
dat in 1993 door Nederland is geratificeerd. Dit verdrag
richt zich met name op het aanpakken van grote winsten van
de drughandel en het ‘witwassen’ van zwart geld. Ook chemicaliën
die nodig zijn voor de vervaardiging van
drugs vallen onder dit verdrag. De drugsafdeling van
Europol, sinds begin 1994 gevestigd in Den Haag, houdt
zich bezig met de uitwisseling van informatie tussen
EU-lidstaten. (Trimbos-instituut, 1996)
2.6.3
Conclusie
Ook
cocaïne is een middel dat de overheid zo gevaarlijk
vindt dat het op lijst I van de Opiumwet geplaatst is; het
gaat dus weer om een harddrug. In tegenstelling tot
alcohol en tabak heb je van cocaïne niet steeds meer
nodig om hetzelfde effect te krijgen, is het lichamelijk
niet verslavend en zijn ook de nadelige lichamelijke
gevolgen gering. Hierbij komen cocaïnegebruikers niet of nauwelijks in aanraking met politie, justitie
en/of hulpverlening. Wel kan er geestelijke
afhankelijkheid optreden. De maatschappelijke kosten zijn
dus gering; zeker als dit wordt vergeleken met de enorme
kosten die verbonden zijn aan het gebruik van alcohol en
tabak. Vanuit het gezichtspunt van de volksgezondheid is
het natuurlijk vreemd dat alcohol en tabak vrij
verkrijgbaar zijn en dat op de handel en productie van cocaïne
zware straffen staan. Ondanks deze zware
straffen heeft ongeveer 6% van de Amsterdammers en
ongeveer 2,9% van de scholieren wel eens cocaïne gebruikt.
2.7
Heroïne
Blauwmaanzaad
of slaapbol is het eenjarig landbouwgewas ‘Papaver
somniferum’ uit het geslacht klaproos, geteeld om het
tot 50% olie bevattende, fijnkorrelige, blauwgrijze zaad
dat gebruikt wordt bij de bereiding van broodjes en gebak.
In Zuidoost-Europa en Azië wordt maanzaad ook
geteeld om het uit de onrijpe zaaddozen gewonnen melksap,
waaruit opium en morfine bereid worden. (WP redactie,
1976)
Opium
is het gestolde melksap uit de onrijpe vrucht van de
‘Papaver somniferum’. Het wordt sinds onheuglijke
tijden in de geneeskunde toegepast om de pijnstillende en
stoppende werking; men kende ook de verdovende werking en
het sterk verslavende euforie-effect.
Opiumalkaloïden
- bestanddelen van opium - zijn onder meer morfine, codeïne
en papaverine; deze hebben, met halfsynthetische derivaten
en synthetische vervangingsmiddelen, opium geheel uit de
geneeskunde verdrongen. Heroïne is een verdovend
middel dat uit het opiumbestanddeel morfine wordt gemaakt.
(WP redactie, 1976)
2.7.1
Werking en gebruik
Heroïne
is een verdovend en pijnstillend middel met een sterke
euforische werking. Het is hierbij zeer verslavend, zowel
geestelijk als lichamelijk. Het grootste gevaar tijdens
het gebruik is de overdosering; dit leidt tot
ademhalingsmoeilijkheden en braakneigingen met een grote
kans dat de gebruiker in zijn eigen braaksel stikt.
Secundaire gevaren zijn de overdracht van ziekten als AIDS
bij gebruik van besmette naalden. Zie tabel 2.7.1. (WP
redactie, 1976)

2.7.2
De Nederlandse markt
Consumptie
De
ontwikkeling van het heroïnegebruik in West-Europa
is in grote lijnen bekend. De stof werd, uitzonderingen
daargelaten, voor het eerst gebruikt in de jaren zestig.
In deze beginperiode was dit gebruik een modeverschijnsel
met een wat elitair en kunstzinnig imago. In de jaren
zeventig ging het gebruik zich verspreiden onder lagere
inkomensgroepen en ging het zich als probleem
manifesteren. (Cohen en Sas, 1993)
Op
basis van registratiegegevens van de hulpverlening wordt
het totaal aantal druggebruikers in Nederland met heroïne
als belangrijkste middel geschat op circa 25.000, op een
populatie van ruim 15 miljoen inwoners. Indien nog
rekening gehouden wordt met een aanzienlijk aantal
verslaafden die op geen enkele wijze met de hulpverlening
of justitie in contact komen, valt deze schatting
enigszins hoger uit, namelijk 27.000 (VWS, 1995).
Vergeleken met andere Europese landen en zeker met de
Verenigde Staten zijn de geschatte aantallen niet hoog te
noemen (VWS, 1995). De hoogste aantallen druggebruikers
zijn te vinden in de vier grote steden (Amsterdam,
Rotterdam, Utrecht, Den Haag). In tegenstelling tot de
situatie in de jaren zeventig gebruiken de meeste
opiaatverslaafden tegenwoordig naast heroïne en/of
methadon ook cocaïne, cannabis, alcohol en
psychofarmaca a (‘polydruggebruik’). Met name het cocaïnegebruik
neemt een steeds belangrijker plaats in. (Trimbos-instituut,
1996)
Een
groot deel van de opiaatverslaafden is werkloos, laag
opgeleid, ongehuwd en man. De gemiddelde leeftijd neemt de
laatste jaren toe en is momenteel ongeveer 33 jaar (Trimbos-instituut,
1996); het aantal heroïnegebruikers onder de 21 jaar
is, ook onder kwetsbare groepen, relatief laag en blijft
verder afnemen (VWS, 1995). De veroudering van de
populatie en de relatief lange verslavingsduur (10 б
15 jaar) gaan gepaard met een toename van ernstige
lichamelijke en psychiatrische problemen (Trimbos-instituut,
1996). Uit onderzoek onder scholieren blijkt dat 1,1% wel
eens heroïne heeft geprobeerd (Life Time Prevalence)
en dat 0,5% dit recent (Last Month Prevalence) heeft
gedaan (de Zwart e.a., 1997). Uit het Amsterdamse
onderzoek (Sandwijk e.a., 1995) komt naar voren dat 1,2%
van de respondenten wel eens heroïne geprobeerd
heeft (Life Time Prevalence). Opvallend is dat geen van de
respondenten in 1994 recent heroïne heeft gebruikt
(Last Month Prevalence).
De
aanwas van jeugdige gebruikers wordt waarschijnlijk mede
geremd door het ‘losers’ imago dat heroïneverslaafden
hebben gekregen. De aanwezigheid van ernstig verloederde
oudere verslaafden in sommige sociaal kwetsbare buurten
vormt overtuigende antipropaganda voor het gebruik van heroïne. Het ontbreken van repressieve acties van de
politie tegen de verslaafden louter vanwege hun
druggebruik en de laagdrempelige verstrekking van het
vervangende middel methadon voorkomen dat de levenswijze
van verslaafden door jongeren als uiting van sociaal of
cultureel verzet wordt gezien. (VWS, 1995)
Distributie
Net
als XTC en cocaïne staat heroïne op lijst I
van de Opiumwet. Ook hier gaat het dus om een harddrug. Op
onder andere handel en distributie van dit middel staan
weer relatief zware straffen. Zie ook paragraaf 2.5.2. Net
als bij XTC en cocaïne wordt de handel in heroïne krachtig strafrechtelijke aangepakt en is het gebruik
wederom niet strafbaar. (Ministerie VWS, 1995)
Over
de aanbodzijde van heroïne, ofwel de handel, is niet
veel bekend. Op dit terrein zijn er immers weinig
betrouwbare bronnen. Er zijn natuurlijk de
drugsonderscheppingen, maar de eeuwige vraag hierbij
blijft hoeveel deze onderscheppingen vertegenwoordigen van
de totale markt. Zelfs aanzienlijke onderscheppingen
blijken de marktprijs niet of nauwelijks te beïnvloeden.
Interpol gaat er over het algemeen van uit dat ongeveer
10% van de drugs die in omloop zijn wordt onderschept (zie
tabel 2.7.2). (Cohen en Sas, 1993)

De
hoeveelheden heroïne die ergens worden onderschept
zeggen vaak iets over de wijze waarop de handel
functioneert. Hoe groter de onderschepte hoeveelheden
zijn, des te waarschijnlijker is het dat men ‘hogerop’
in het handelskanaal zit. Wat dit betreft bestaat er een
groot verschil tussen de hoeveelheden cocaïne en heroïne
die in Europa worden onderschept. Cocaïne komt uit Zuid-Amerika en bereikt Europa per boot. Bij de
handel gaat het vaak om grote hoeveelheden en het is geen
uitzondering - al is het ook geen wekelijks verschijnsel -
dat één of zelfs verschillende tonnen cocaïne worden onderschept.
(Cohen en Sas, 1993)
Heroïne
daarentegen wordt in West-Europa nooit in hoeveelheden van
tonnen onderschept. Een onderschepping van enkele
honderden kilo’s geldt al als een buitengewoon grote
vangst die zelden voorkomt; een vangst van enkele
tientallen kilo’s heroïne wordt over het algemeen
al beschouwd als ‘groot’. Buiten West-Europa
daarentegen, zoals in Oost- en Zuidoost-Europa en vooral
in landen als Iran, Pakistan of Turkije, komt het wel
voor dat hoeveelheden van enkele honderden kilo’s of
zelfs een ton worden onderschept. Dit duidt er op dat het
(‘echte’) groothandel betreft en dat men hoog in het
handelskanaal zit. (Cohen en Sas, 1993)
De
lagere prijzen op de illegale markt voor heroïne kunnen niet zonder meer worden toegeschreven aan het in
Nederland gevoerde beleid met betrekking tot de productie of aanvoer. Anders dan in het buitenland soms wordt
gemeend, wordt de handel in harddrugs in Nederland
intensief opgespoord en zwaar bestraft. De snelle
uitbreiding van de Nederlandse gevangeniscapaciteit
getuigt daarvan. De cruciale factor is het overstelpende
aanbod van harddrugs op de internationale markten, zoals
ook door de periodieke rapportages van de VN wordt
bevestigd. (VWS, 1995)
De
prijs op de consumentenmarkt wordt mede bepaald door de
lokale vraag naar bepaalde drugs. In Nederland is de
laatste tijd, evenals in sommige andere landen, sprake van
een vrij sterk dalende populariteit van heroïne terwijl tevens aan de bestaande populatie van oudere
verslaafden op grote schaal vervangende middelen zoals
methadon worden verstrekt. Het is aannemelijk dat de
afnemende vraag naar heroïne een neerwaarts
drukkende werking heeft op de prijzen. (VWS, 1995)
De
in Nederland aangetroffen heroïne is in hoofdzaak
afkomstig uit Zuid-West Azië. In het merendeel van
de gevallen werd betrokkenheid vastgesteld van Turkse
criminele organisaties. Volgens het onafhankelijke
internationale onderzoeksinstituut ‘Observatoire Géopolitique
des Drogues’ is de heroïnehandel met bestemming
Europa meer dan ooit een Turkse specialiteit, waarbij ook
met Italiaanse criminele organisaties wordt samengewerkt (Cohen
en Sas, 1993). Niet alleen is Turkije een belangrijk
transitoland van heroïne, ook wordt er steeds meer
morfinebase tot heroïne verwerkt in Turkse
laboratoria. Naar schatting wordt 80% van de heroпne
op de Europese markt verwerkt in deze laboratoria (Cohen
en Sas, 1993). Het aandeel van Chinese groepen in de heroïnesmokkel
is echter kleiner geworden. Landen in Midden- en
Oost-Europa spelen in toenemende mate een rol bij de
opslag en distributie van heroïne. Vanuit
opslagplaatsen in die landen wordt steeds vaker gebruik
gemaakt van personenauto’s voor de smokkel. (VWS, 1995)
2.7.3
Conclusie
Ook
heroïne staat op lijst I van de Opiumwet. Het gaat
hier om een middel dat zowel geestelijk als lichamelijk
zeer verslavend is en waarvan de gebruiker ook steeds meer
nodig heeft om hetzelfde effect te verkrijgen.
Gezondheidsproblemen komen vooral voort uit de ongezonde
manier van leven van sommige gebruikers: dakloos zijn,
geen goede voeding, verwaarlozing en het delen van
besmette naalden. Voorts bestaat de kans op het overlijden
ten gevolge van een overdosering. Overigens wordt het
aantal heroïneverslaafden geschat op slechts 25.000
en is de aanwas van jongeren zeer gering zodat de
gemiddelde leeftijd van deze populatie toeneemt.
2.8
Clustering van het gebruik van genotmiddelen
In
deze scriptie dient een antwoord gegeven te worden op de
vraag: "Wat zijn de oorzaken van het gebruik van
genotmiddelen?" In de volgende paragrafen wordt
vastgesteld welke genotmiddelen een verhoogde kans geven
op het gebruik van een ander middel. In paragraaf 2.8.1
wordt dit op microniveau bepaald en in paragraaf 2.8.2 op
macroniveau.
2.8.1
Microniveau
Al
de voor deze scriptie van belang zijnde genotmiddelen
worden paarsgewijs gekoppeld en ieder paar wordt
geanalyseerd.
2.8.1.1
Alcohol en roken
Uit
een Rotterdams onderzoek (van de Goor, 1994) blijkt dat
82,1% van de Rotterdammers drinkt (geen geheelonthouder),
dat 35,9% rookt en dat 31,6 rookt en drinkt. Hieruit kan
opgemaakt worden dat 88,02% van de rokers drinkt en dat
dit onder de niet-rokers minder is, namelijk 78,78%. Het
percentage rokers onder de drinkers is gelijk aan 38,49%
en het percentage rokers onder de niet drinkers is 24,02%.
Uitgaande van een constant percentage rokers onder de
drinkers en rokers onder de niet drinkers kan het verband
tussen roken en drinken weergegeven worden met de volgende
formule:
(1.1)
R = 24,02% + 14,47% * D
R
= percentage rokers
D
= percentage drinkers
Formule
1.1 geeft een positief verband weer tussen roken en
drinken. In paragraaf 2.8.2.1 wordt op macroniveau de
juistheid van dit veronderstelde verband geverifieerd. Uit
de beschikbare gegevens komt niet naar voren of men eerst
gaat drinken en dan gaat roken of eerst roken en dan
drinken. Of is er misschien geen volgorde aan te geven?
Iemand
die zowel tabak als alcohol gebruikt krijgt twee
tegengestelde effecten. Tabak is opwekkend terwijl alcohol
juist verdovend werkt.
2.8.1.2
Alcohol en softdrugs
Van
de Rotterdammers drinkt (geen geheelonthouder) dus 82,1%
en 20% heeft ooit cannabis gebruikt. Het deel dat zowel
drinkt als ooit cannabis heeft gebruikt is 18,8% (van de
Goor, 1994). Hieruit kan opgemaakt worden dat 18,8% /
82,1% = 22,9% van de drinkers ooit cannabis heeft gebruikt
en dat dit onder de niet-drinkers veel minder is, namelijk
1,2% / 18% = 6,7%. Het percentage drinkers onder de
ooit-cannabisgebruikers is 18,8% / 20% = 94%.
Als
het percentage ooit cannabisgebruikers onder de drinkers
en het percentage ooit cannabisgebruikers onder de
niet-drinkers constant is dan kan het verband tussen
drinken en cannabisgebruik weergegeven worden met de
volgende formule:
(1.2)
C = 6,7% + 16,2% * D
C
= percentage ooit cannabisgebruikers (LTP)
D
= percentage drinkers
Formule
1.2 geeft een positief verband weer tussen ooit
cannabisgebruik en drinken.
Verder
is in Amsterdam gevonden (Sandwijk e.a., 1995) dat onder
de respondenten zonder ‘Life Time Prevalence’ met
alcohol maar 2,7% ervaring opdoet met cannabis. Voor
respondenten met ‘Life Time Prevalence’ is dit
percentage 30,8%. Zie tabel 2.8.1.2 (LYP = Last Year
Prevalence; LMP = Last Month Prevalence). Voor personen
die nog nooit gedronken hebben is de kans om ooit cannabis
te gebruiken weer veel kleiner dan voor de personen die nu
niet drinken. Geen 6,7% (Rotterdam) maar 2,7%. Gebruikers
van alcohol hebben dus voor een deel de neiging om ook
softdrugs te proberen.

Zowel
het gebruik van alcohol als van cannabis zorgt ervoor dat
het concentratievermogen afneemt. Als cannabis in
combinatie met alcohol wordt gebruikt versterkt dit de
effecten van de alcohol. Denk hierbij aan typische
alcoholeffecten als: agressie, zelfoverschatting,
sentimentaliteit, ontremming en aantasting
oordeelsvermogen.
2.8.1.3
Alcohol en XTC
Naar
het samengaan van alcohol en XTC is geen onderzoek gedaan.
Het gaat om middelen met een tegengestelde werking;
alcohol is verdovend en XTC oppeppend. Het is dan ook
denkbaar dat in het uitgaanscircuit XTC gebruikt wordt om
de nadelige effecten van alcohol te neutraliseren. Op
basis hiervan is een verhoogde kans op het gebruik van XTC
onder de alcoholgebruikers te verwachten.
2.8.1.4
Alcohol en cocaïne
Naar
het samengaan van alcohol en cocaïne is ook geen
onderzoek gedaan. Het gaat ook hier om middelen met een
tegengestelde werking; alcohol is verdovend en cocaïne stimulerend. Het is dan ook denkbaar dat in het
uitgaanscircuit cocaïne gebruikt wordt om de
nadelige effecten van alcohol te neutraliseren. Op basis
hiervan is tevens een verhoogde kans op het gebruik van cocaïne
onder de alcoholgebruikers te verwachten.
2.8.1.5
Alcohol en heroïne
Het
Trimbos-instituut (1996) stelt dat, in tegenstelling tot
de jaren 70, tegenwoordig naast heroïne ook
andere genotmiddelen worden gebruikt; onder andere alcohol
wordt in dit verband genoemd. Cijfers zijn echter niet
bekend. Beide genotmiddelen hebben een verdovende werking.
2.8.1.6
Roken en softdrugs
Sandwijk
e.a. (1995) geven aan dat 65,3% van de Amsterdammers ooit
heeft gerookt en dat 28,5% ooit cannabis heeft gebruikt.
Als het zo is dat iemand eerst moet roken voordat hij
cannabis gaat proberen dan heeft 28,5% / 65,3% = 43,6% van
de ooit-rokers ook wel eens cannabis geprobeerd. Overigens
kan het zo zijn dat het percentage van 43,6% in
werkelijkheid kleiner is omdat het in principe mogelijk is
om zonder eerst een roker te zijn cannabis te gebruiken:
het consumeren van ‘space-cake’ of het ‘blowen’
zonder dat men ooit heeft gerookt. Het ligt echter voor de
hand dat onder de nooit-rokers aanmerkelijk minder
ooit-cannabisgebruikers zijn dan onder de ooit-rokers.
2.8.1.7
Roken en XTC
Naar
het samengaan van roken en XTC is geen onderzoek gedaan.
Het gaat om middelen die beiden een oppeppende/opwekkende
werking hebben.
2.8.1.8
Roken en cocaïne
Naar
het samengaan van roken en cocaïne is ook geen
onderzoek gedaan. Het gaat weer om middelen die beiden een
oppeppende/opwekkende werking hebben.
2.8.1.9
Roken en heroïne
Roken
heeft een opwekkende werking en heroïne juist een
verdovende werking. Verder zijn geen gegevens beschikbaar
over het samengaan van het gebruik van beide middelen.
2.8.1.10
Softdrugs en cocaïne
Cannabis
heeft een verdovende werking en cocaïne een
oppeppende werking. De veronderstelling dat
cannabisgebruikers een verhoogde kans lopen om harddrugs
te gaan gebruiken staat bekend als de ‘stepping-stone
theorie’. Deze werd in de jaren ’40 voor het eerst
gelanceerd in de VS en heeft sindsdien veel invloed gehad
op de publieke opinie en het Amerikaanse en internationale
drugbeleid. Over de juistheid van de ‘stepping-stone
hypothese’ verschillen de meningen. Wat betreft de
eventuele overstap van cannabis naar harddrugs is
duidelijk dat deze niet kan worden verklaard uit de
farmacologische eigenschappen van cannabis. Er is geen
lichamelijk bepaalde neiging om over te stappen van
‘lichte’ naar ‘zwaardere’ middelen. Wel blijken
sociale factoren een rol te spelen: de kans op
harddruggebruik neemt toe naarmate men meer geïntegreerd raakt in een omgeving waarin, naast cannabis, ook
harddrugs voorhanden zijn. (Trimbos-instituut, 1997)
Het
ministerie van VWS (1995) zegt over de ‘stepping-stone
theorie’ het volgende:
"Nederlandse
jongeren die softdrugs gebruiken, zijn zich terdege bewust
van de grotere risico’s die verbonden zijn aan het
gebruik van harddrugs zoals heroïne en gaan er niet
snel toe over daarmee te experimenteren. Het deel van de
softdruggebruikers dat tevens harddrugs gaat gebruiken is
in Nederland relatief laag. De ‘stepping-stone
theorie’ moet in het licht van deze bevindingen worden
beschouwd als één van de vele mythen die over
het gebruik van drugs de ronde doen. Een mythe die onder
omstandigheden zou kunnen werken als self-fulfilling
prophecy: door het gebruik van hennepproducten en
harddrugs zoals heroïne en cocaïne beleidsmatig over
één kam te scheren kan
immers juist in de hand gewerkt worden dat henneprokers
met harddrugs in contact komen. Door deze gelijkstelling
wordt bovendien de geloofwaardigheid van de voorlichting
over drugs aan jongeren ondergraven".
Het
ministerie van VWS is duidelijk: "De
‘stepping-stone theorie’ moet in het licht van deze
bevindingen worden beschouwd als één van de
vele mythen die over het gebruik van drugs de ronde
doen". VWS is deze mening toegedaan omdat, zoals
zij zelf zegt: "Het deel van de softdruggebruikers
dat tevens harddrugs gaat gebruiken in Nederland relatief
laag is". Uit recent onderzoek is echter gebleken
dat dit niet juist is. Ondanks het feit dat er géén
lichamelijk bepaalde neiging is om van lichte naar
zwaardere middelen over te stappen wordt door
softdruggebruikers beduidend meer met harddrugs geëxperimenteerd
dan door niet softdruggebruikers. Een mogelijke reden
hiervoor kan zijn dat softdruggebruikers meer geïntegreerd
raken in een omgeving waarin, naast cannabis, ook
harddrugs voorhanden zijn (Trimbos-instituut, 1997). Ook
het beleidsmatig niet over één kam te scheren
van softdrugs en harddrugs, zoals heroïne en cocaïne,
heeft niet kunnen voorkomen dat veel softdruggebruikers
ook harddrugs proberen. De ‘stepping-stone theorie’
kan dus, zoals hierna zal blijken, beslist niet afgedaan
worden als een mythe.
Sandwijk,
Cohen, Musterd en Langemeijer (1995) hebben een onderzoek
gedaan naar: "Licit and illicit drug use in
Amsterdam II". Het betreft hier een "household
survey in 1994 on the prevalence of drug use among the
population of 12 years and over". De bron voor
deze steekproef (netto steekproef grootte = 4364) is het
Amsterdams bevolkingsregister. Uit de combinatie van dit
onderzoek met een onderzoek uit 1990 (Sandwijk e.a., 1991)
komt onder andere naar voren dat 21,7% (zie tabel
2.8.1.10; LYP: ‘Last Year Prevalence’; LMP: ‘Last
Month Prevalence’; LTP: ‘Life Time Prevalence’) van
de personen met een ervaring met softdrugs na gemiddeld
5,6 jaar (Sandwijk e.a., 1991) ook ervaring opdoet met cocaïne. Voor de subgroep van meest ‘ervaren’
cannabisgebruikers, met een gebruik van meer dan 20 keer
in de laatste maand, is dit percentage zelf 53,2% (zie
tabel 2.8.1.10). Het gemiddelde interval tussen het eerste
cannabisgebruik en het eerste cocaпne gebruik is
voor deze groep 6,3 jaar (Sandwijk e.a., 1991). Personen
zonder cannabiservaring hebben aanmerkelijk minder kans om
cocaïne te proberen; 0,5% doet ervaring op met cocaïne, heroïne, of XTC. De kans op gebruik van
cocaïne wordt dus aanmerkelijk groter als men cannabis heeft
gebruikt of nog steeds gebruikt.

Van
alle Amsterdammers zonder LTP-cannabis probeert slechts
0,5% een harddrug. Als al deze mensen cocaïne gebruiken, is (1 - 28,5%) * 0,5% = 0,3575% van de
Amsterdammers LTP-cocaïnegebruiker zonder
LTP-cannabisgebruiker te zijn. Het totale percentage cocaïnegebruikers is 0,3575% + (28,5% * 21,7%) = 6,542%.
Het deel van de LTP-cocaïnegebruikers dat ook
LTP-cannabisgebruiker is, is minimaal (28,5% * 21,7%) /
6,542% = 94,5%.
Cohen
e.a. (1995) stellen dat het wel zo is dat een aantal
softdruggebruikers ervaring opdoet met cocaïne of heroïne
maar dat een groot aantal softdruggebruikers
niet met zwaardere middelen experimenteert en dat daarom
de ‘stepping-stone theorie’ verworpen dient te worden.
Het Trimbos-instituut (1997) stelt echter dat een
verhoogde kans voor cannabisgebruikers om harddrugs te
gaan gebruiken duidt op de juistheid van de
‘stepping-stone theorie’. Op basis van dit laatste
uitgangspunt is de juistheid van de ‘stepping-stone
theorie’ overduidelijk aangetoond.
2.8.1.11
Softdrugs en XTC
XTC
is een middel dat een duidelijk oppeppende werking heeft
terwijl iemand die softdrugs gebruikt juist heel rustig en
ontspannen wordt. Een cannabisgebruikers heeft een
verhoogde kans om ook XTC te gaan gebruiken. Van de
ooit-cannabisgebruikers (LTP) heeft 7,9% wel eens XTC
geprobeerd en van de ‘zware’ (LMP >= 20 keer)
cannabisgebruikers heeft 27,5% wel eens XTC gebruikt (zie
tabel 2.8.1.10). Dit terwijl mensen die nooit cannabis
hebben gebruikt voor slechts 0,5% harddrugs (cocaïne, heroïne
of XTC) proberen. Ook is het zo dat er een
bepaalde periode zit tussen het eerste cannabisgebruik en
het eerste XTC-gebruik: ongeveer 9 jaar (Cohen e.a.,
1995). De ‘stepping-stone theorie’ gaat dus ook op
voor het XTC-gebruik.
Het
LTP-cannabisgebruik onder de LTP-XTC-gebruikers is
minimaal 86,3%. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat alle
nooit-cannabisgebruikers die LTP-harddrugebruiker zijn XTC
gebruiken of hebben gebruikt. De berekening gaat als
volgt: 28,5% * 7,9% = 0,022515 (cannabis + XTC); (1 -
28,5%) * 0,5 = 0,003575 (geen cannabis + XTC); 0,022515 +
0,003575 = 0,02609 (totaal XTC); 0,022515 / 0,02609 =
86,3% (minimaal deel LTP-cannabis onder LTP-XTC).
2.8.1.12
Softdrugs en heroïne
Beide
middelen hebben een verdovende werking. Softdruggebruikers
hebben een verhoogde kans om ook heroïne te gaan
gebruiken. Van de mensen die ooit cannabis hebben gebruikt
(LTP) probeert 4,2% ook heroïne (zie tabel
2.8.1.10). Voor de ‘zware’ cannabisgebruikers (LMP
>= 20 keer) is dit percentage 17,4% (zie tabel
2.8.1.10). Ook is het zo dat er ongeveer 5Ѕ jaar zit
tussen het eerste cannabisgebruik en het eerste heroïnegebruik
(Cohen e.a., 1995). De ‘stepping-stone theorie’ gaat
dus ook op voor het heroïnegebruik.
Het
LTP-cannabisgebruik onder de LTP-heroпnegebruikers
is minimaal 77%. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat alle
nooit-cannabisgebruikers die LTP-harddrugebruiker zijn, heroïne
gebruiken of hebben gebruikt. De berekening
gaat als volgt: 28,5% * 4,2% = 0,01197 (cannabis + heroïne);
(1 - 28,5%) * 0,5 = 0,003575 (geen cannabis + heroïne);
0,01197 + 0,003575 = 0,015545 (totaal heroïne);
0,01197 / 0,015545 = 77% (minimaal deel LTP-cannabis onder
LTP-heroïne).
2.8.1.13
XTC en cocaïne
Zowel
XTC als cocaïne heeft een oppeppende werking. Van de
groep ooit-cannabisgebruikers is bekend hoeveel procent er
ooit heroïne en/of cocaïne heeft gebruikt:
22,3% (zie tabel 2.8.1.15). Hierbij is tevens bekend
hoeveel procent XTC heeft geprobeerd (7,9%; zie tabel
2.8.1.10) en hoeveel procent heroïne en/of cocaïne en/of XTC (24,9%) (Cohen e.a., 1995). Vervolgens kun je
vaststellen welk percentage van de ooit-cannabisgebruikers
zowel XTC als cocaïne en/of heroïne heeft
gebruikt, namelijk tussen de 4,7% en 5,3%. Het percentage
ooit-heroïnegebruikers en/of ooit-cocaïnegebruikers
onder de ooit-XTC-gebruikers ligt tussen de 4,7% / 7,9% =
59,5% en de 5,3% / 7,9% = 67,1%. Ook hier verhoogt het
ooit-gebruik van het ene middel de kans op het
ooit-gebruik van het andere middel aanzienlijk. Het
ooit-gebruik van cocaïne onder de
ooit-cannabisgebruikers is immers maar 21,7%.
Het
deel van de LTP-cocaïnegebruikers dat
LTP-XTC-gebruiker is ligt tussen de 4,7% / 21,7% = 21,7%
en de 5,3% / 21,7% = 24,4%. Het LTP-cocaïnegebruik
doet de kans op LTP-XTC-gebruik toenemen van 7,9% naar
21,7-24,4%.
2.8.1.14
XTC en heroïne
XTC
heeft een oppeppende werking terwijl heroïne een
verdovende werking heeft. Er is niet precies vast te
stellen welk deel van de ooit-XTC-gebruikers ook heroïne heeft gebruikt. Het percentage kan op basis van de
gegevens uit de vorige paragraaf variëren tussen de
0% en de 7,6%. De kans op ooit-heroпnegebruik is
voor de ooit-cannabisgebruikers 4,2%; het ooit-XTC-gebruik
heeft hier niet veel invloed op. Het deel van de ooit-heroпnegebruikers
dat ooit XTC heeft gebruikt ligt tussen de 0% en de 14,3%.
2.8.1.15
Cocaïne en heroïne
Cocaïne
heeft een oppeppende werking terwijl heroïne een
verdovende werking heeft. Van de groep
ooit-cannabisgebruikers is bekend hoeveel procent er ooit heroïne
en/of cocaïne heeft gebruikt: 22,3%
(zie tabel 2.8.1.15). Hierbij is tevens bekend hoeveel
procent cocaïne heeft geprobeerd (21,7%) en hoeveel
procent heroïne (4,2%) (zie tabel 2.8.10).
Vervolgens kun je vaststellen welk percentage zowel heroïne
als cocaïne heeft gebruikt, namelijk 3,6%. Het
percentage ooit-heroïnegebruikers (LTP) onder de
ooit-cocaïnegebruikers (LTP) is dus 3,6% / 21,7% =
16,6% en het percentage ooit-cocaïnegebruikers onder
de ooit-heroïnegebruikers is 3,6% / 4,2% = 85,7%.
Ook hier verhoogt het ooit-gebruik van het ene middel de
kans op het ooit-gebruik van het andere middel
aanzienlijk.

2.8.2
Macroniveau
Ook
op basis van gegevens op macroniveau wordt nu vastgesteld
of er verbanden bestaan tussen roken en drinken, roken en
harddrugs en drinken en harddrugs. Andere macrogegevens
zijn niet beschikbaar. Voor de regressieanalyse wordt
gebruik gemaakt van tabel 2.2.2a, tabel 2.3.2 en tabel
2.8.2. Over het aantal harddrugverslaafden in Ierland en
Portugal zijn geen gegevens beschikbaar. Daar waar nodig
wordt uitgegaan van een aantal verslaafden dat het midden
houdt tussen de hoogste en laagste schatting. Voor België
is dit bijvoorbeeld (15.000 + 20.000) / 2 = 17.500.

2.8.2.1
Roken en drinken
Ook
uit de regressieanalyse op basis van de macrogegevens komt
naar voren dat er een positief verband bestaat tussen
roken en drinken (zie paragraaf 2.8.1.1), te weten:
(2.1)
R = 13,80% + 25,57% * D
R
= percentage rokers
D
= percentage drinkers
Hierbij
moet aangetekend worden dat het om een niet significant
verband gaat (T = 1,171) en dat de correlatiecoëfficiënt
slechts een waarde van 0,34714 heeft. Het aandeel
verklaarde variantie is dus maar ongeveer 12%. Ook wijkt
formule 1.1 sterk af van 2.1. Dit laatste is gezien de
spreiding (SE B = 0,218456; SE Constant = 0,182474) niet
verwonderlijk.
2.8.2.2
Roken en harddrugs
Uit
de regressieanalyse op basis van de macrogegevens komt
geen verband tussen het percentage rokers en het
percentage harddruggebruikers naar voren. Het aandeel
verklaarde variantie is slechts 0,142% en T = 0,107.
2.8.2.3
Drinken en harddrugs
Volgens
de regressieanalyse is er een negatief verband tussen
drinken en harddruggebruik, te weten:
(2.2)
H = 0,8908% - 0,7551% * D
H
= percentage harddrugverslaafden
D
= percentage drinkers
Hierbij
moet aangetekend worden dat het om een niet significant
verband gaat (T = -1,428) en dat de correlatiecoëfficiënt
slechts een waarde van 0,45057 heeft. Het aandeel
verklaarde variantie is dus maar ongeveer 20%.
De
gevonden uitkomst ligt niet in de lijn der verwachtingen;
drankgebruik doet de kans op cannabisgebruik immers
toenemen (van 6,7% naar 22,9%) (zie paragraaf 2.8.1.2) en
cannabisgebruik geeft weer een verhoogde kans op heroïnegebruik
(van minder dan 0,5% naar 4,2%) (zie paragraaf 2.8.1.12).
Mogelijk ligt de verklaring in het feit dat heroïnegebruik
vaak gepaard gaat met ernstige verloedering en
werkloosheid (zie paragraaf 2.7.2). Het is goed denkbaar
dat een verslaafde al zijn geld nodig heeft om zijn
verslaving te kunnen onderhouden en het zich niet meer kan
veroorloven om ook nog eens drank te kopen.
2.8.3
Conclusie
In
het algemeen doet het gebruik of ooit-gebruik van een
genotmiddel de kans toenemen op het gebruik van andere
middelen. Een uitzondering hierop is het gebruik van XTC;
de kans op cocaïnegebruik neemt wel sterk toe (voor
LTP cannabis is dit 21,7%; voor de subgroep van
ooit-XTC-gebruikers is dit 59,5-67,1%) maar de kans op heroïnegebruik
blijft praktisch onveranderd.
Het
is duidelijk dat de kans dat LTP alcoholgebruikers in
Amsterdam cannabis proberen veel groter is dan de kans dat
nooit-alcoholgebruikers dit doen. 30,8% van de LTP
alcoholgebruikers zet de stap van een legaal genotmiddel
naar een verboden genotmiddel (lijst II Opiumwet) (22,9%
van de alcoholgebruikers in Rotterdam) terwijl dit
percentage bij nooit-alcoholgebruikers maar 2,7% is (voor
geheelonthouders in Rotterdam 6,7%). De kans voor LTP
alcoholgebruikers is dus meer dan 11 keer zo groot.
Voor
wat betreft het proberen van ‘zwaardere’ middelen door
cannabisgebruikers staat vast dat het eerste gebruik van
het ‘zwaardere’ middel gemiddeld een aantal jaren na
het eerste gebruik van het ‘lichtere’ middel plaats
vindt. Dit komt erop neer dat een deel van de
softdruggebruikers na een aantal jaren ook een harddrug
probeert. Zij zetten dus de stap van een middel dat op
lijst II van de Opiumwet staat naar een middel van lijst
I. Ook hier gaat het om een relatief groot deel van de
gebruikers: 24,9% (zie paragraaf 2.8.1.13) van de LTP
cannabisgebruikers probeert ook cocaïne, XTC of heroïne;
54,1% (zie tabel 2.8.1.15) van de ‘zware’
cannabisgebruikers probeert ook cocaïne of heroïne.
Hier tegenover staat dat slechts 0,5% van de nooit
cannabisgebruikers een harddrug probeert. Een relatief
hoog percentage probeert dus ook een ‘zwaarder’ middel
en in die zin is de ‘stepping-stone theorie’ van
toepassing op het softdruggebruik.
Zie
voor een overzicht van de clustering van het gebruik van
genotmiddelen tabel 2.8.3a en voor een overzicht van het
gebruik van genotmiddelen tabel 2.8.3b.


Noten
1.
Het Trimbos-instituut is een onafhankelijk, landelijk
kenniscentrum met als doel de geestelijke gezondheid van
mensen te bevorderen. Het is in 1996 ontstaan door fusie
van het Nederlands centrum Geestelijke volksgezondheid (NcGv)
en het Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs (NIAD).
2.
VWS verstaat onder gedecriminaliseerd het strafbaar
stellen als overtreding en niet als misdrijf. Het
30-grams criterium dat de grens tussen overtreding en
misdrijf aangeeft is bij de totstandkoming van de
Opiumwet van 1976 ontleend aan wetgeving in de Verenigde
Staten waarin het bezit van maximaal een ‘ounce’
cannabis ook is gedecriminaliseerd. Deze norm is tevens
aangehouden omdat het een hoeveelheid zou zijn waarmee
gebruikers, die hun rookwaar met anderen deelden,
gedurende ongeveer twee weken toekonden. Met deze
hoeveelheid zouden deze gebruikers nog onder het overtredingregiem
kunnen vallen. Bij de behandeling van
de Opiumwet van 1976 kwam in de Tweede Kamer al aan de
orde dat dit criterium het risico van een ontwikkeling
naar meer professionele handel in zich droeg.
3.
De drie partijen in het driehoeksoverleg zijn:
gemeentebestuur, openbaar ministerie en politie.
4.
Growshops zijn verkooppunten die gespecialiseerd zijn in
verkoop van artikelen, installaties en systemen die
gebruikt worden bij de teelt van nederwiet. Hierbij valt
te denken aan bevloeiingssystemen, groeilampen, zaden,
plantenmateriaal, kunstmest, elektrische installaties,
luchtzuiveringsinstallaties,
klimaatsbeheersingsinstallaties, enz.
|