|
1.1
Inleiding
Het
Nederlandse beleid met betrekking tot het gebruik van
cannabis is gebaseerd op de veronderstelling dat een
eventuele overgang van het gebruik van softdrugs op dat
van harddrugs veeleer sociale dan fysiologische oorzaken
heeft (Ministerie VWS, 1995). "Indien
jongvolwassenen softdrugs willen gebruiken -en de ervaring
heeft geleerd dat die behoefte bij grote groepen feitelijk
bestaat- dan kunnen zij dat in de Nederlandse visie maar
beter doen in een setting waarbinnen zij niet in aanraking
komen met de criminele subcultuur rond harddrugs"
aldus het Ministerie VWS (1995). Door middel van het
gedogen van een relatief laagdrempelig aanbod van
gebruikershoeveelheden softdrugs wordt beoogd de
consumentenmarkten van soft- en harddrugs van elkaar
gescheiden te houden zodat een sociale drempel wordt
opgeworpen voor de overgang van het gebruik van softdrugs
op dat van harddrugs.
In
de praktijk blijkt echter dat het gebruik van softdrugs
een sterk verhoogde kans geeft op het gebruik van
harddrugs, met name cocaïne en XTC maar ook heroïne (zie
hoofdstuk 2). De opgeworpen drempel lijkt niet of niet
voldoende te werken. Wat is hier de oorzaak van? Is
misschien de sociale omgeving toch niet zo van belang?
Zijn er andere oorzaken die een rol spelen? Dit zijn
allemaal vragen die opkomen bij het bestuderen van het
probleem.
Om
een meer algemeen beeld te krijgen worden naast soft- en
harddrugs ook andere genotmiddelen bij het onderzoek
betrokken.
1.2
Probleemstelling
Het
onderzoek moet antwoord geven op de volgende
probleemstelling:
-
Wat zijn de oorzaken van het gebruik van genotmiddelen?
1.3
Precisering/begripsvorming/beperking
Preciseren
is het "precies of meer nauwkeurig
omschrijven" (Geerts, 1984) en moet leiden tot
verheldering van de probleemstelling. Hierna wordt het
volgende begrip uit de probleemstelling gepreciseerd:
‘genotmiddel’.
Genotmiddel
Een
genotmiddel is een middel zonder voedingswaarde dat lekker
smaakt en/of lichamelijk welbehagen veroorzaakt (Geerts,
1984). Het gaat in deze scriptie om de volgende
genotmiddelen: alcohol, tabak, softdrugs, XTC, cocaïne en
heroïne.
1.4
Aanpak
Voor
het onderzoek wordt zowel gebruik gemaakt van bestaande
bronnen als empirisch onderzoek. Dit
laatste heeft de vorm van een survey onder de bezoekers
van een zogenoemde hasj-coffeeshop1.
1.5
Relevantie
Het
gebruik van genotmiddelen is stevig verankerd in de
samenleving. Van oudsher gaat het vooral om het gebruik
van alcohol en tabak maar meer recentelijk spelen drugs
als cannabis, XTC en cocaïne een steeds groter wordende
rol terwijl het gebruik van heroïne juist stabiel blijft.
In deze scriptie wordt ingegaan op wat de oorzaken zijn
van het gebruik van genotmiddelen. Het gebruik van deze
middelen en wat daarmee samenhangt vormt een groot
maatschappelijk en bestuurlijk probleem. Hierbij valt te
denken aan de overlastproblematiek, de volksgezondheid,
het arbeidsverzuim en de georganiseerde criminaliteit rond
de drughandel (zie hoofdstuk 2). De volksgezondheid en het
arbeidsverzuim komen aan de orde in hoofdstuk 2. Hierna
wordt kort ingegaan op de overlast en de georganiseerde
criminaliteit rond de drughandel.
1.5.1
Overlast
Ongeveer
5.000 verslaafden vertonen een maatschappelijk
onaanvaardbare levenswijze. Het gaat dan om de verkoop van
drugs, de druggerelateerde criminaliteit en vormen van
onaangepast gedrag zoals het achterlaten van spuiten.
Momenteel is ongeveer de helft van de gedetineerden
verslaafd en van de door de politie opgehelderde
vermogensdelicten in grotere steden is volgens recent
onderzoek een derde deel toe te schrijven aan
drugverslaafden. Bij vijf veel voorkomende
vermogensdelicten zoals woninginbraak en autokraak is dit
zelfs de helft. Verslaafde plegers van delicten gaan
bovendien soms zeer openlijk tewerk. Ook een grote bron
van overlast is de handel in harddrugs vanuit woningen.
Het gaat daarbij veelal om etage- of flatwoningen, waarbij
de buren worden geconfronteerd met een toeloop van
verslaafden, met alle bijverschijnselen van dien.
(Ministerie VWS, 1995)
Door
de overlast van verslaafden worden de tolerantiedrempels,
van vooral de inwoners van sociaal kwetsbare wijken in de
steden, chronisch overschreden. In enkele gevallen heeft
dit ertoe geleid dat burgers het recht in eigen hand
nemen, bijvoorbeeld door drugverslaafden hardhandig uit de
eigen buurt te verwijderen. (Ministerie VWS, 1995)
Een
ander groot probleem zijn de geweldsdelicten die mede
kunnen voortvloeien uit de ontremmende werking van
bepaalde middelen. In dit opzicht is het misbruik van
alcohol een belangrijke criminogene factor. (Ministerie
VWS, 1995)
1.5.2
Georganiseerde criminaliteit rond de drughandel
Het
economisch belang van de georganiseerde criminaliteit rond
de drughandel is enorm. Naar schatting betreft de
jaarlijkse omzet in soft- en harddrugs in Nederland
ongeveer 10 miljard gulden. VWS (1995) vindt dat de veelal
internationaal opererende criminele organisaties een
bedreiging vormen voor de democratische rechtstaat. De
overheid denkt dit probleem aan te kunnen pakken door
onder andere meer bevoegdheden en extra middelen voor de
politie en justitie. Daarnaast worden ook het bankwezen en
relevante vrije beroepen ingeschakeld bij de preventie en
opsporing van witwaspraktijken. De bedragen waar het om
gaat hebben een dusdanig grote omvang aangenomen, dat de
integriteit van sommige delen van de economie steeds
zwaarder op de proef wordt gesteld. Het gevaar bestaat dat
criminele organisaties, medewerkers van politie, justitie
en bankwezen alsook beoefenaren van vrije beroepen
corrumperen.
1.5.3
Conclusie
Een
beter begrip van de oorzaken van het gebruik van
genotmiddelen kan bijdragen tot het verminderen van de
enorme maatschappelijke kosten die door dit gebruik
veroorzaakt worden. In dit verband zijn reeds genoemd de
maatschappelijke kosten van: de gezondheidszorg, de
opsporing en vervolging, het in stand houden van het
gevangeniswezen, de corruptie, de overlast en het
arbeidsverzuim.
1.6
Hoofdstukken
In
hoofdstuk 2 worden de werking, het gebruik en de markt van
de voor het onderzoek van belang zijnde genotmiddelen
behandeld. Achtereenvolgens komen aan de orde: alcohol,
tabak, softdrugs, XTC, cocaïne en heroïne. Hierbij wordt
aandacht geschonken aan de verhoogde kans die gebruikers
van genotmiddelen lopen om een ander (zwaarder) middel te
gaan gebruiken. Vervolgens komen in hoofdstuk 3 een aantal
relevante consumententheorieën aan de orde. Eerst wordt
ingegaan op nutsmaximalisatie van consumenten en
vervolgens komen reeds bestaande onderzoeken op het gebied
van genotmiddelen aan bod. Hoofdstuk 4 en 5 gaan over de
opzet en de resultaten van een survey onder de bezoekers
van een coffeeshop en tenslotte wordt in hoofdstuk 6 afgesloten
met een conclusie.
Noot
1.
Een hasjcoffeeshop in strikte zin is een alcoholvrije
horeca-inrichting zonder gokkasten waar softdrugs worden
verkocht (Ministerie VWS, 1995).
|