|
4.1
Inleiding
Uit
het voorgaande hoofdstuk zijn een aantal factoren naar
voren gekomen die verband houden met het gebruik van
genotmiddelen, te weten: tijdsvoorkeur, ‘social learning’,
‘sensation seeking’, ‘locus of control’, en
mogelijk ‘zelfmonitoring’ en ‘variety-seeking’.
Hierbij is vastgesteld dat er waarschijnlijk een
oorzakelijk verband is tussen ‘sensation seeking’ en
het gebruik van genotmiddelen.
Het
is de bedoeling om door middel van een survey onder de
bezoekers van een coffeeshop de reeds aanwezige kennis
aangaande oorzaken van het gebruik van genotmiddelen te
vergroten en/of te bevestigen. In de volgende paragrafen
worden een aantal hypothesen geformuleerd en wordt
ingegaan op de inhoud van de survey en de te volgen
procedure.
4.2
Hypothesen
Op
basis van de besproken theorie worden een aantal
hypothesen geformuleerd die betrekking hebben op
‘sensation seeking’, ‘locus of control’, ‘social
learning’, ‘zelfmonitoring’ en ‘variety-seeking’.
Hiernaast zijn twee hypothesen gegeven die betrekking
hebben op demografische variabelen.
‘Sensation
seeking’
(1)
‘Sensation seeking’ is positief gecorreleerd met
harddruggebruik.
(2)
‘Sensation seeking’ is positief gecorreleerd met
het combineren van middelen.
(3)
‘Sensation seeking’ is positief gecorreleerd met
de snelheid waarmee van het ene naar het andere middel
wordt overgestapt.
(4)
‘Sensation seeking’ is positief gecorreleerd met
het roken van beide ouders.
(5)
‘Sensation seeking’ is positief gecorreleerd met
de hoeveelheid die van een middel wordt gebruikt.
(6)
‘Sensation seeking’ is negatief gecorreleerd met
de leeftijd waarop men start met het gebruik van het
eerste genotmiddel.
(7)
‘Sensation seeking’ is positief gecorreleerd met
het hebben van vrienden die harddrugs gebruiken.
‘Variety-seeking’
(8)
‘Variety-seeking’ is positief gecorreleerd met
harddruggebruik.
(9)
‘Variety-seeking’ is positief gecorreleerd met het
combineren van middelen.
(10)
‘Variety-seeking’ is positief gecorreleerd met de
snelheid waarmee van het ene naar het andere middel
wordt overgestapt.
(11)
‘Variety-seeking’ is positief gecorreleerd met
‘Sensation seeking’.
‘Locus
of control’
(12)
Harddruggebruik is gecorreleerd met een externe
‘locus of control’.
‘Social
learning’
(13)
Het gebruik van een genotmiddel is gecorreleerd met
het gebruik van dit middel door één of beide ouders.
(14)
Het gebruik van een genotmiddel is gecorreleerd met
het gebruik van dit middel door vrienden.
(15)
Het gebruik van een genotmiddel is gecorreleerd met
het aantal mensen uit de omgeving dat dit middel
gebruikt.
‘Zelfmonitoring’
(16)
‘Zelfmonitoring’ is positief gecorreleerd met
harddruggebruik.
(17)
‘Zelfmonitoring’ is positief gecorreleerd met het
combineren van middelen.
(18)
‘Zelfmonitoring’ is positief gecorreleerd met de
snelheid waarmee van het ene naar het andere middel
wordt overgestapt.
(19)
Binnen de subgroep van personen die vrienden hebben
die harddrugs gebruiken is ‘zelfmonitoring’
positief gecorreleerd met harddruggebruik.
Demografische
variabelen
(20)
Het inkomen is positief gecorreleerd met de
hoeveelheid die van een middel wordt gebruikt.
(21)
De leeftijd is negatief gecorreleerd met het
combineren van middelen.
4.3
Survey
De
voor het toetsen van de hypothesen benodigde informatie
wordt verkregen door middel van een survey. Deze bevat een
aantal onderdelen, te weten: de verschillende
persoonlijkheidstesten, ‘demografische variabelen’ en
‘gebruik van tabak, alcohol en drugs’. De genoemde
onderdelen worden in het vervolg van deze paragraaf
behandeld.
De
diverse persoonlijkheidstesten betreffen: ‘sensation
seeking’, ‘locus of control’, ‘zelfmonitoring’
en ‘variety-seeking’. Hierna wordt hier kort op
ingegaan.
‘Sensation
seeking’
Zuckerman
(1994) heeft zes versies van de ‘Sensation Seeking Scale’
ontwikkeld waarbij de nadruk op versie vijf (SSS-V) ligt.
SSS-V is zo geconstrueerd dat niet alleen een algemeen
beeld verkregen wordt van de mate van ‘Sensation Seeking’
door middel van een totale score maar dat ook een score
verkregen kan worden voor de subschalen: ‘Experience
Seeking’, ‘Thrill and Adventure Seeking’, ‘Boredom
Susceptibility’ en ‘Disinhibition’. Voor de survey
is deze versie met 40 items echter te groot en vandaar dat
besloten is het aantal items te verminderen. Segal en
anderen (1980) geven aan dat vooral ‘experience seeking’
en ‘disinhibition’ goede voorspellers zijn van drug-
en alcoholgebruik. Vandaar dat de items die behoren bij
‘Thrill and Adventure Seeking’ en ‘Boredom
Susceptibility’ uit de SSS-V zijn verwijderd en tevens
zijn de items verwijderd die betrekking hebben op het
drinken en druggebruik. Dit laatste in overeenstemming met
wat Segal en anderen (1980) in een eerder onderzoek naar
het gebruik van alcohol en drugs onder studenten hebben
gedaan. De resterende 15 items zijn uit het Engels naar
het Nederlands vertaald (zie bijlage 5).
‘Locus
of control’
De
psycholoog Julian Rotter (1982) heeft de ‘I-E Scale’
ontwikkeld. Hiermee kunnen individuele verschillen op het
gebied van de ‘locus of control’ worden gemeten. De
test bevat 29 onderdelen waarvan 6 vullers. Voor ieder
onderdeel kan een punt behaald worden waarbij het totaal
aantal punten het aantal externe keuzen weergeeft. Ook
deze test is te groot voor de survey en vandaar dat de 6
vullers zijn verwijderd. Van de resterende 23 items zijn
de 15 items gekozen die de hoogste correlatie hebben met
de totale score (Rotter, 1982). Ook deze schaal is van het
Engels naar het Nederlands vertaald. Vervolgens zijn de
SSS en de I-E schaal samengevoegd tot één
vragenlijst met 30 items. Dit laatste om het doel van de
test wat te verdoezelen. Zie bijlage 5.
‘Zelfmonitoring’
Snyder
(1987) heeft de ‘zelfmonitoring schaal’ ontwikkeld om
het zodoende mogelijk te maken de neiging tot
zelfmonitoring van personen of groepen te kwantificeren.
Deze schaal bevat 25 juist-onjuist vragen over, onder
andere, geschetste situaties en de zelfpresentatie van de
respondent. Snyder heeft ook een 18 puntsschaal ontwikkeld
waarbij een aantal niet-discriminerende vragen zijn
weggelaten. Overigens is bij deze survey voor de 18
puntsschaal gekozen om zodoende de omvang van de survey te
beperken. De gebruikte schaal is een vertaling van de
Engelse versie (zie bijlage 1).
‘Variety-seeking’
Van
Trijp (1995) heeft een instrument ontwikkeld, de
‘VARSEEK-scale’, om de ‘variety-seeking tendency’
van consumenten voor wat betreft de voeding te kunnen
meten. Deze vijfpunts Likertschaal bevat 8 onderdelen
waarover de respondent een oordeel moet geven van
‘helemaal mee eens’ tot ‘helemaal mee oneens’.
Speciaal voor de survey is de ‘VARSEEK-scale’ zo
aangepast dat de ‘variety-seeking tendency’ van
softdruggebruikers kan worden gemeten. De vragen hebben
betrekking op druggebruik in het algemeen en
softdruggebruik in het bijzonder. Zie voor de aangepaste
‘VARSEEK-scale’ bijlage 2.
Naast
de persoonlijkheidstesten staan er in de survey vragen die
betrekking hebben op demografische variabelen en vragen
die betrekking hebben op het gebruik van tabak, alcohol en
drugs. Ook deze onderdelen worden kort behandeld.
Demografische
variabelen
Hiertoe
worden variabelen zoals leeftijd, geslacht, inkomen,
beroep en nationaliteit gerekend. Deze variabelen moeten
aan de ene kant de populatie beschrijven en aan de andere
kant zijn een aantal variabelen van belang bij het toetsen
van de hypothesen (zie bijlage 3). De volgende vragen
staan in de survey:
1.
Wat is je leeftijd?
2.
Ben je een man of een vrouw?
3.
Ben je zelf, of is één,
of beide, van je ouders in het buitenland geboren?
4.
Wat is de hoogste opleiding die je hebt afgerond?
5.
Wat is je totale netto inkomen per maand, zonder
vakantiegeld en zonder kinderbijslag?
Gebruik
van tabak, alcohol en drugs
Voor
het toetsen van de hypothesen is het noodzakelijk een
aantal vragen over het gebruik van tabak, alcohol en drugs
te stellen (zie bijlage 4). In vraag 2, 3 en 4 wordt
gebruik gemaakt van de tijdsbepalingen jaar, maand en week
om de vergelijkbaarheid met andere onderzoeken te
bevorderen. Denk hierbij onder andere aan het onderzoek
van Sandwijk, Cohen en Musterd (1991) genaamd: "Licit
and illicit drug use in Amsterdam. Report of a household
survey in 1990 on the prevalence of drug use among the
population of 12 years and over". Zie voor een
overzicht van de vragen de bijlage.
4.4
Procedure
Ter
beperking van de kosten is gekozen voor een
niet-probabilistische steekproef van beperkte omvang. Dit
wil zeggen dat niet ieder lid van de populatie een gekende
a priori kans, groter dan nul, heeft om getrokken te
worden. Verder is, om de efficiency van de steekproef te
vergroten, gekozen voor een restrictieve steekproef: de
zogenoemde beoordelingssteekproef. Door elementen te
trekken uit de bezoekers van een coffeeshop is de kans
groot dat de getrokken elementen ervaring hebben met een
aantal genotmiddelen.
Over
sommige zaken spreekt de respondent liever niet omdat hij
ze als te persoonlijk, prestige bedreigend of
statusbeschadigend ervaart (Pelsmacker en Kenhove, 1994).
Directe vragen die hiermee te maken hebben zullen dan ook
tot hoge non-respons of tot sociaal wenselijke antwoorden
leiden. Het soort onderwerpen dat als te privé wordt
beschouwd om er vragen over te beantwoorden kan van
cultuur tot cultuur verschillen, en binnen dezelfde
cultuur zelfs tussen sociale of leeftijdsklassen. In dat
verband kan het voorbeeld worden vermeld van ouderen die
liever niet over hun leeftijd praten, of werklozen die,
uit (misplaatste) schaamte liever niet over hun
beroepssituatie uitweiden. In westerse culturen zijn dit
vooral vragen over het inkomen, het gezin, religie,
seksualiteit en soms ook over politiek. Het is
voorstelbaar dat respondenten liever niet willen praten
over hun druggebruik en vandaar dat gekozen is voor een
schriftelijke ondervraging waarbij de respondent anoniem
blijft.
Het
grote probleem bij schriftelijke ondervraging is vaak de
extreem lage responsgraad, met als gevolg nonresponsfouten.
Afhankelijk van het onderwerp, de doelgroep en de aard van
de vragenlijst, zijn responsgraden van slechts 5 of 10%
geen uitzondering (de Pelsmacker en van Kenhove, 1994). Om
dit te voorkomen wordt het inleveren van de vragenlijst
beloond met een korting van ƒ5,00 op een aankoop in de
coffeeshop. Daarna, voor de respondent goed zichtbaar,
wordt de vragenlijst in een afgesloten bus gedeponeerd.
Dit laatste om nog eens te benadrukken dat anonimiteit
verzekerd is.
Zoals
eerder aangegeven wordt de steekproef getrokken uit de
bezoekers van een Haagse coffeeshop. Het uitreiken van de
vragenlijsten moet op één
dag gebeuren. Dit om te beletten dat dagelijkse bezoekers
meerdere lijsten inleveren om zodoende meerdere beloningen
te ‘verdienen’. Hierbij wordt een uiterste datum
vastgesteld waarop de lijst kan worden ingeleverd; zo
hebben de respondenten enige tijd om het boekje, eventueel
thuis, in te vullen. Dit voorkomt dat alleen mensen die
langdurig de tijd hebben om in een coffeeshop te
verblijven in de steekproef voorkomen. Verder wordt de ene
helft van de lijsten ‘s avonds en de andere helft
overdag uitgereikt. Hierdoor wordt verhinderd dat
bijvoorbeeld werklozen of juist werkenden
oververtegenwoordigd zijn. In totaal worden 150
vragenlijsten in de vorm van een boekje uitgereikt.
4.5
Conclusie
Een
aantal hypothesen wordt getoetst op basis van een anonieme
survey onder de bezoekers van een hasjcoffeeshop; de
hoeveelheid uit te reiken vragenlijsten is 150. Het gaat
bij de hypothesen vooral om het verband tussen bepaalde
persoonlijkheidskenmerken en het gebruik van alcohol,
tabak en drugs. Om de responsgraad te verhogen is gekozen
voor het koppelen van een kleine beloning aan het
inleveren van de vragenlijst.
|