|
5.1
Inleiding
In
dit hoofdstuk worden de in het voorgaande hoofdstuk
geformuleerde hypothesen getoetst. Hierbij wordt ingegaan
op de eventuele aanwezigheid en significantie van
verbanden. Ook wordt aandacht besteed aan mogelijke
oorzaken van wel of juist niet aanwezige samenhangen. In
paragraaf 5.2 komen eerst wat algemene zaken aan de orde
waarna in de daarop volgende paragrafen op de
verschillende hypothesen wordt ingegaan. Vervolgens wordt
ook ingegaan op de betekenis van het onderzoek voor de
‘stepping stone’ theorie. Tenslotte worden de
belangrijkste bevindingen weergegeven in de conclusie.
5.2
Algemeen
Van
de 150 uitgedeelde boekjes zijn er 93 geretourneerd,
waaronder 2 blanco exemplaren; een responsgraad van 91/150
= 60,67%. Mogelijk is het grote aantal gestelde vragen
mede de oorzaak van de lage responsgraad; een aantal
respondenten heeft hierover geklaagd.
De
gemiddelde leeftijd van de respondenten is 28 jaar waarbij
de jongste 17 jaar is en de oudste 62 (zie grafiek 5.2.1).
Er is hierbij een opmerkelijk groot aantal respondenten
met de leeftijd van 18 jaar. Dit is tevens de leeftijd dat
voor het eerst de coffeeshop bezocht mag worden en
mogelijk gaat het hier om een soort inhaalslag; nu het
eindelijk mag voelt een aantal de behoefte dat te doen wat
eerst verboden was. Verder is één respondent pas 17
jaar. Met deze leeftijd een coffeeshop bezoeken is
absoluut niet toegestaan en hier wordt door de politie ook
streng op toegezien. Voor de eigenaar van de coffeeshop
betekent het voor de tweede keer betrapt worden op de
aanwezigheid van een minderjarige onmiddellijke sluiting
van de onderneming en vandaar dat iedere bezoeker onder de
25 jaar in deze coffeeshop een geldig legitimatiebewijs
moet tonen.
De
meeste respondenten (74,2%) komen uit Nederland. De
anderen komen uit Turkije, Marokko, de Antillen en overige
niet nader benoemde landen (zie bijlage 8, grafiek 8.2).
Hierbij gaat het om overwegend lager opgeleiden met een
gemiddeld inkomen van ƒ 2038,89 per maand (zie wederom
bijlage 8).
De
gemiddelde leeftijd van het eerste gebruik loopt van
ongeveer 14 jaar tot 21 jaar voor respectievelijk tabak,
alcohol, softdrugs, heroïne, XTC en cocaïne. De meeste
personen beginnen tussen de 10 en 20 jaar (zie bijlage 9).
Het cocaïnegebruik is hierop enigszins een uitzondering;
er is wel een piek te zien bij 16 jaar maar ook boven de
20 zit een flink aantal starters. Opvallend is verder dat
de grafiek met betrekking tot het eerste gebruik van tabak
een piek laat zien bij 12 jaar. Dit is de leeftijd waarop
van de lagere school overgestapt wordt naar het middelbaar
onderwijs. Woods (1981) geeft aan dat het opsteken van een
eerste sigaret te maken heeft met nieuwsgierigheid, het
verlangen naar acceptatie en het symboliseren van
rebellie, volwassenheid of status. Een sigaret kan dus een
hulpmiddel zijn bij het verwerven van een plaats in de
nieuwe schoolomgeving en klaarblijkelijk kunnen veel
jongeren deze hulp goed gebruiken. Verder laat de grafiek
met betrekking tot het cannabisgebruik een piek zien bij
de 18 jarige leeftijd; het moment dat de coffeeshop
bezocht mag worden. Bij zowel het eerste XTC- als het
eerste cocaïnegebruik ligt de piek op 16 jaar. Hiervoor
is echter geen oorzaak aan te geven. Verder is duidelijk
dat slechts 5 respondenten ooit heroïne hebben gebruikt.
Sommige
respondenten hadden moeite met het op de juiste wijze
invullen van onderdeel E van de survey (8 non-respons op
‘sensation seeking’). Er is door hen niet begrepen dat
bij ieder item één antwoord gegeven moet worden; of A of
B. Het ligt voor de hand dat er als gevolg van de taal,
enig negatief verband aanwezig is tussen het Nederlander
zijn en non-response op ‘sensation seeking’ (R =
-0,2089; P = 0,049). Zie voor de gemiddelde scores op de
diverse persoonlijkheidstesten tabel 5.2.1 (zie ook
bijlage 10).


Gezien
het feit dat de respondenten allemaal in een coffeeshop
komen is het niet verwonderlijk dat bijna iedereen rookt
en softdrugs gebruikt (zie grafiek 5.2.2 en ook bijlage
12). De data is dan ook minder geschikt om verschillen te
bestuderen tussen wel en niet gebruikers van softdrugs.
Hiernaast gebruikt een aanzienlijk deel ook XTC en/of cocaпne.
Recent gebruik van heroпne komt echter niet voor.

5.3
‘Sensation seeking’
Hierna
worden een aantal hypothesen die betrekking hebben op
‘sensation seeking’ getoetst.
(1)
‘Sensation seeking’ is positief gecorreleerd met
harddruggebruik.
Harddruggebruik
is inderdaad positief gecorreleerd met ‘sensation
seeking’ (zie bijlage 6). Als gekeken wordt naar de
correlaties die betrekking hebben op het gebruik in
afgelopen week moet vastgesteld worden dat deze niet
significant zijn. Wordt echter naar het ooit-gebruik
gekeken dan blijkt dat de gevonden correlaties wel
significant zijn. De gemiddelde scores op ‘disinhibition’,
‘experience seeking’ en ‘sensation seeking’ zijn
ook voor de groep ooit-harddruggebruikers hoger dan voor
de nooit-harddruggebruikers (zie bijlage 11). Deze
uitkomsten zijn verwacht en volledig in overeenstemming
met eerdere onderzoeken (zie paragraaf 3.4.2). Mensen die
relatief hoog scoren op ‘sensation seeking’ hebben dus
de neiging tot het gebruik van harddrugs.
(2)
‘Sensation seeking’ is positief gecorreleerd met het
combineren van middelen.
De
volgende combinaties worden door respondenten gebruikt
(zie ook bijlage 12, grafiek 12.2):
1
Tabak - Alcohol (76,5%)
2
Tabak - Softdrugs (75,6%)
3
Tabak - XTC (25,6%)
4
Tabak - Cocaïne (18,5%)
5
Alcohol - Softdrugs (63,1%)
6
Alcohol - XTC (22,0%)
7
Alcohol - Cocaïne (17,1%)
8
Softdrugs - XTC (28,0%)
9
Softdrugs - Cocaïne (19,5%)
10
XTC - Cocaïne (12,2%)

Zoals
uit tabel 5.3.1 blijkt is het combineren van middelen
positief gecorreleerd met ‘sensation seeking’ en de
dimensies ‘disinhibition’ en ‘experience seeking’.
De gevonden combinaties van gebruik zijn in de helft van
de gevallen significant gecorreleerd (P < 0,05).
Hierbij gaat het vijf keer om een combinatie met een
harddrug. Het gebruik van harddrugs is positief
gecorreleerd met ‘sensation seeking’ en het ligt dan
ook voor de hand dat voor een subgroep van het
harddruggebruik, een harddrug wordt dan gecombineerd met
een ander middel, ook vaak geldt dat het positief
gecorreleerd is met ‘sensation seeking’.
Als
de gemiddelde scores op ‘sensation seeking’ en de
dimensies ‘disinhibition’ en ‘experience seeking’
van personen die combineren echter worden vergeleken met
de scores van relevante gebruikersgroepen, dan blijkt dat
iemand die combineert gemiddeld vrijwel altijd hoger
scoort (zie bijlage 22). Dit is vooral het geval als naar
de scores op ‘disinhibition’ wordt gekeken. Personen
die een middel in combinatie gebruiken verschillen door
elkaar genomen dus van personen die dit middel niet in
combinatie gebruiken; zij scoren gemiddeld hoger op ‘disinhibition’.
Het
sterkst en meest significant is de correlatie tussen
‘disinhibition’ en het combineren van alcohol met
softdrugs (R = 0,4229; P = 0,000). Deze correlatie kan
mogelijk ook het gevolg zijn van alleen het alcoholgebruik
of alleen het softdruggebruik dat verbonden is aan een
combinatie en is dan niet specifiek het gevolg van het
combineren. Om vast te stellen of dit daadwerkelijk het
geval is wordt het effect van het alcoholgebruik op
‘disinhibition’ geneutraliseerd door binnen een groep
alcoholgebruikers nogmaals de correlatiecoëfficiënt te
bepalen. Binnen de groep zeer recente (week)
alcoholgebruikers is de eerder gevonden positieve en
significante correlatie echter ook vastgesteld (R =
0,4711; P = 0,000) en hetzelfde is het geval voor de groep
zeer recente softdruggebruikers (R = 0,3306; P = 0,007) en
zeer recente softdrug- plus alcoholgebruikers (R = 0,2999;
P = 0,036). In het laatste geval gaat het om personen die
zowel alcohol als softdrugs gebruiken maar die deze
middelen niet noodzakelijkerwijs combineren. Op basis van
het voorgaande moet het combineren dus wel deels of
helemaal de oorzaak zijn van de gevonden positieve
correlatie.
De
gemiddelde score op ‘disinhibition’ is hoger voor
personen die alcohol met softdrugs combineren (5,0417) dan
voor mensen die bijvoorbeeld recent softdrugs (4,5429) of
recent alcohol (4,5167) hebben gebruikt. Zij die geen
alcohol met softdrugs combineren scoren slechts 3,4333 op
‘disinhibition’ (zie ook bijlage 21). Ook binnen de
groep van recente alcoholgebruikers en de groep recente
softdruggebruikers scoren personen die combineren
gemiddeld hoger (zie bijlage 31). Hieruit kan opgemaakt
worden dat personen die alcohol met softdrugs combineren
door elkaar genomen duidelijk verschillen van personen die
dit niet doen. Zij scoren namelijk gemiddeld hoger op ‘disinhibition’.
Anders gezegd hebben zij die relatief hoog scoren op
‘disinhibition’ de neiging tot het combineren van
alcohol met softdrugs. Door dit combineren worden typische
alcoholeffecten als agressie, zelfoverschatting,
sentimentaliteit, ontremming en aantasting
oordeelsvermogen versterkt (zie hoofdstuk 2).
Uit
de correlatieanalyse blijkt verder dat het combineren van
alcohol met softdrugs positief en significant gecorreleerd
is met het ooit-cocaïnegebruik (R = 0,2460; P = 0,024),
het ooit-XTC gebruik (R = 0,4301; P = 0,000) en het
ooit-harddruggebruik (R = 0,4018; P = 0,000). Verder is
het ooit-cocaïnegebruik significant en positief
gecorreleerd met het ooit-XTC gebruik (R = 0,6147; P =
0,000).
(3)
‘Sensation seeking’ is positief gecorreleerd met de
snelheid waarmee van het ene naar het andere middel wordt
overgestapt.
Naar
verwachting zou ‘sensation seeking’ positief
gecorreleerd moeten zijn met de snelheid waarmee van het
ene naar het andere middel wordt overgestapt. Dit blijkt
echter niet uit de correlatieanalyse. ‘Sensation seeking’
is over het geheel genomen positief gecorreleerd met de
gebruikte tijd en dus negatief gecorreleerd met de
snelheid. Uitzonderingen hierop zijn de correlaties met
‘TIJD_T_S (p = 0,141)’, ‘TIJD_T_H’ (p = 0,806),
‘TIJD_A_H’ (p = ,) en ‘TIJD_X_C’ (p = 0,704); het
betreft hier echter niet-significante correlaties (zie
bijlage 7).
Over
het algemeen is de dimensie ‘disinhibition’ wel
negatief gecorreleerd met de tijd die personen gebruiken
om van het ene naar andere middel over te stappen. De
correlatie met ‘TIJD_S_A’ (p = 0,730) is hierop een
uitzondering. Het meest significant gecorreleerd zijn
‘TIJD_T_S’ (N = 72; p = 0,020) en ‘TIJD_A_X’ (N =
32; p = 0,081). Iemand die relatief hoog scoort op
‘disinhibition’ heeft dus de neiging snel van het
eerste gebruik van tabak over te gaan tot het eerste
gebruik van softdrugs en ook bestaat dan de neiging om
relatief snel van alcohol naar XTC te gaan.
Uit
de analyse komt verder naar voren dat de dimensie
‘experience seeking’ positief gecorreleerd is met de
tijd die een persoon neemt om van alcohol naar een ander
middel over te stappen. Iemand die hoog scoort op
‘experience seeking’ heeft dus, tegen de verwachting
in, de neiging relatief lang te wachten met het eerste
gebruik van een ander middel. Hiervoor is op het eerste
gezicht geen verklaring te geven. Het ligt immers voor de
hand dat een persoon die graag nieuwe ervaringen op wil
doen relatief snel tot het gebruik van nieuwe middelen
overgaat. Bij nadere analyse blijkt echter dat iemand die
relatief hoog scoort op ‘experience seeking’ de
neiging heeft op een relatief vroege leeftijd met alcohol
te beginnen (R = -0,3397; N = 79; P= 0,002) en relatief
laat met andere middelen (niet significant).
De
conclusie is dat ‘sensation seeking’ niet significant
positief gecorreleerd is met de snelheid waarmee van het
ene naar het andere middel wordt overgestapt. Wel is er
een verband aangetoond tussen ‘TIJD_T_S’ en
‘disinhibition’ (p = 0,020) en ‘TIJD_A_X’ en
‘disinhibition’ (p = 0,081). Personen die hoog scoren
op ‘disinhibition’ hebben dus de neiging om relatief
snel van het eerste gebruik van tabak tot het eerste
gebruik van softdrugs over te gaan en ook om relatief snel
van het eerste gebruik van alcohol tot het eerste gebruik
van XTC over te gaan. Opvallend is verder dat hoog scoren
op de dimensie ‘experience seeking’ juist over het
algemeen gecorreleerd is met een relatief lange tijd
tussen het eerste gebruik van twee opvolgende middelen;
het gaat dan vooral om de overstap van alcohol naar een
ander middel.
(4)
‘Sensation seeking’ is positief gecorreleerd met het
roken van beide ouders.
Deze
hypothese is opgesteld vanuit de gedachte dat roken
positief gecorreleerd is met ‘sensation seeking’ en
dat ‘sensation seeking’ deels genetisch bepaald is.
Als beide ouders roken en dus een verhoogde kans op
‘sensation seeking’ hebben dan kan het kind deze
eigenschap meekrijgen van de ouders. Uit de analyse blijkt
inderdaad dat het roken van beide ouders positief en
significant gecorreleerd is met ‘sensation seeking’
van het kind (zie tabel 5.3.2 en bijlage 13). Hetzelfde is
overigens ook, hoewel in mindere mate, het geval bij het
drinken van beide ouders (DIS: R = 0,2828 P = 0,013; ES:
0,1571 P= 0,170; SS: 0,2624 P= 0,021). Het roken van beide
ouders is hierbij niet significant gecorreleerd met het
drinken van beide ouders (R = 0,1811; 83; P = 0,101).

‘Disinhibition’
is significant gecorreleerd met het alcoholgebruik van
zowel de vader als van de moeder. Hiernaast is
‘disinhibition’ wel significant gecorreleerd met het
roken van de moeder maar niet met het roken van de vader
(zie tabel 13.1 in bijlage 13). De score op
‘disinhibition’ kan dus ten dele verklaard worden uit
het roken en drinken van de ouders. Zoals in hoofdstuk 3
reeds is aangegeven zouden ook het geslacht en de leeftijd
hierop invloed behoren te hebben. Uit de regressieanalyse
blijkt dat er een significant verband aanwezig is tussen
aan de ene kant het geslacht, het roken van de moeder en
het drinken van de vader en aan de andere kant de score op
‘disinhibition’ (R = 0,53450) (zie bijlage 33
regressie 2).
Ter
volledigheid wordt vermeld dat uit de regressieanalyse
tevens blijkt dat een deel van de score op ‘experience
seeking’ significant verklaard wordt uit het inkomen, de
opleiding en het alcoholgebruik van de moeder (R =
0,44133) (zie bijlage 33 regressie 3). Hiernaast wordt 'sensation
seeking' deels verklaard uit het geslacht, de opleiding,
het alcoholgebruik van de moeder en het roken van de
moeder (R = 0,52577) (zie bijlage 33 regressie 4)
(5)
‘Sensation seeking’ is positief gecorreleerd met de
hoeveelheid die van een middel wordt gebruikt.
De
genoemde stelling is juist voor wat betreft de consumptie
van alcohol (zie bijlage 14). Significante correlaties
zijn aangetoond tussen aan de ene kant het aantal
consumpties en aan de andere kant ‘disinhibition’,
‘experience seeking’ en ‘sensation seeking’ (R =
0,4239; 0,3967; 0,5025; P = 0,001; 0,002; 0,000). Iemand
die een relatief grote ‘sensation seeker’ is heeft dus
de neiging relatief veel te drinken. Ook is er een
positief verband gevonden tussen de consumptie van tabak
en de dimensie ‘experience seeking’ (R = 0,359; P =
0,006). Er is echter geen significant verband aangetoond
tussen de hoeveelheid blows die men rookt en ‘sensation
seeking’. Iemand die een relatief grote ‘sensation
seeker’ is heeft dus niet de neiging ook relatief veel
te blowen. Verder is de consumptie van XTC en cocaïne
niet significant gecorreleerd met ‘disinhibition’,
‘experience seeking’ en ‘sensation seeking’. Een
mogelijke oorzaak van dit laatste is het geringe aantal
respondenten dat bij de analyse is betrokken (XTC N = 8; cocaïne
N = 10).
Dat
voor alcohol wel en voor softdrugs geen verband aangetoond
is tussen het aantal in de afgelopen week gebruikte
consumpties en de score op ‘sensation seeking’ kan
mogelijk verklaard worden uit het feit dat men zich door
het gebruik van alcohol ontremd gaat gedragen en voelen
terwijl men door het blowen juist ontspant (zie hoofdstuk
2). Tot op een bepaalde hoogte wordt men door het gebruik
van steeds meer alcohol ook steeds ongeremder. Het
relatief veel gebruiken van alcohol moet voor een
‘sensation seeker’, zoals ook uit de analyse naar
voren komt, aantrekkelijk zijn. Het relatief veel blowen
en dus ook een grote mate van ontspanning heeft op een
‘sensation seeker’ klaarblijkelijk geen bijzondere
aantrekkingskracht.
(6)
‘Sensation seeking’ is negatief gecorreleerd met de
leeftijd waarop men start met het gebruik van het eerste
genotmiddel.
Bij
de analyse is uitgegaan van de leeftijd waarop de
respondent voor het eerst een genotmiddel gebruikte.
Alleen de correlatie met ‘experience seeking’ is
significant (R = -3029; P = 0,005). Zie ook bijlage 15.
Zoals eerder besproken (hypothese 3) wordt dit vooral
veroorzaakt door het gegeven dat personen die relatief
hoog scoren op ‘experience seeking’ de neiging hebben
vroeg met alcohol te beginnen (R = -0,3397; N = 79; P=
0,002).
(7)
‘Sensation seeking’ is positief gecorreleerd met het
hebben van vrienden die harddrugs gebruiken.
Deze
hypothese is juist. De correlatie is het sterkst met
‘disinhibition’ (R = 0,3355; P = 0,002) en zeer zwak
met ‘experience seeking’ (zie tabel 5.3.3). Voor de
subgroep die zelf nooit harddrugs heeft gebruikt geldt dit
overigens ook (Dis: R = 0,3781; 41; P = 0,015). Mensen die
vrienden hebben die harddrugs gebruiken hebben net als
harddruggebruikers de neiging om hoog te scoren op ‘disinhibition’.
Beide groepen hebben dus ook de neiging om van wilde
ongeremde feestjes te houden (zie de test in bijlage 5) of
van sensatie door middel van feesten en sex (Zuckerman,
1994). Mogelijk is deze gemeenschappelijk interesse de
oorzaak van de neiging tot het sluiten van vriendschappen
tussen de leden van de twee groepen. Samenvattend zouden
personen die hoog scoren op ‘disinhibition’ net als
harddruggebruikers de neiging hebben om naar wilde
ongeremde feestjes te gaan waardoor ze een verhoogde kans
hebben op het sluiten van vriendschappen.

Binnen
de groep van mensen die vrienden hebben die harddrugs
gebruiken zitten personen die zelf geen harddrugs
gebruiken en personen die zelf wel harddrugs gebruiken.
Personen die harddrugs gebruiken hebben over het algemeen
de neiging hoog te scoren op zowel ‘disinhibition’ als
‘experience seeking’. Omdat mensen die vrienden hebben
in deze groep al hoog scoren op ‘disinhibition’ ligt
het voor de hand te veronderstellen dat binnen deze
categorie, harddruggebruikers en niet-harddruggebruikers
vooral verschillen op ‘experience seeking’. De neiging
tot zoeken van nieuwe ervaringen en sensaties (Zuckerman,
1994) is dan vooral bepalend. Bij nadere analyse blijkt
inderdaad dat de dimensie ‘experience seeking’ (R =
0,4455; P = 0,002) en hiernaast ‘sensation seeking’ (R
= 0,4415; P = 0,002) significant en positief gecorreleerd
is met het gebruik van harddrugs binnen de subgroep van
personen die harddrug gebruikende vrienden heeft. Zie ook
bijlage 19 en tabel 19.1.
5.4
‘Variety-seeking’
Hierna
worden een aantal hypothesen die betrekking hebben op
‘variety seeking’ getoetst.
(8)
‘Variety-seeking’ is positief gecorreleerd met
harddruggebruik.
Ook
weer gezien de vragen uit de test ligt het voor de hand
dat ‘variety seeking’ positief en significant
gecorreleerd is met harddruggebruik (P = < 0,05).
Alleen het ooit-heroïnegebruik (P = 0,083) en het
XTC-gebruik van de afgelopen maand (P = 0,054) zijn hierop
uitzonderingen. Deze hypothese is dus juist en in bijna
alle gevallen zijn de gevonden correlaties ook significant
(zie bijlage 17).
(9)
‘Variety-seeking’ is positief gecorreleerd met het
combineren van middelen.
Deze
hypothese is juist en de gevonden correlaties zijn over
het algemeen significant (P < 0,05) (zie bijlage 16).
Een uitzondering hierop is de correlatie met het
combineren van tabak en softdrugs (R = 0,1225; P = 0,261).
Het genoemde resultaat is gezien de vragen uit de test
overigens niet verrassend (zie bijlage 2). Voorbeelden van
vragen zijn:
-
Als ik op stap ga vind ik het leuk om ongebruikelijke
middelen te proberen, zelfs als ik er niet zeker van ben
dat ze goed vallen.
-
Ik denk dat het leuk is om drugs uit te proberen waarmee
je niet bekend bent.
(10)
‘Variety-seeking’ is positief gecorreleerd met de
snelheid waarmee van het ene naar het andere middel wordt
overgestapt.
De
gevonden correlaties zijn zowel positief als negatief en
over het algemeen niet significant. Alleen de correlatie
tussen de tijd die nodig is om van alcohol naar tabak te
gaan en ‘variety seeking’ is wel significant (P <
0,05) maar niet in de goede richting (zie bijlage 18).
Iemand die hoog scoort op ‘variety-seeking’ heeft dus
juist niet de neiging snel van het eerste gebruik van
alcohol tot het eerste gebruik van tabak over te gaan. De
geformuleerde hypothese is dus met betrekking tot een
aantal combinaties onjuist en met betrekking tot de
overige combinaties zijn de gevonden verbanden niet
significant.
(11)
‘Variety-seeking’ is positief gecorreleerd met
‘Sensation seeking’.
Deze
hypothese is juist (zie tabel 5.4.1). De gevonden correlatiecoëfficiënt
voor ‘sensation seeking’ (R = 0,3529) komt vrijwel
overeen met de correlatiecoëfficiënt uit een onderzoek
van van Trijp (1995; R = 0,357). Hier betrof het de
correlatie tussen een ‘variety seeking scale’ die
toegesneden is op voedingsmiddelen en de volledige
‘sensation seeking scale’ met 40 items.

5.5
‘Locus of control’
Hierna
wordt een hypothese getoetst die betrekking heeft op de
‘locus of control’.
(12)
Harddruggebruik is gecorreleerd met een externe ‘locus
of control’.
Er
is geen significante correlatie gevonden tussen ‘locus
of control’ en het gebruik van diverse harddrugs (P >
0,05) (zie bijlage 20). Dit is niet in overeenstemming met
de resultaten van andere onderzoeken. Onder andere
Mendelson en Mello (1986) hebben namelijk gevonden dat
alcoholisten, rokers en drugverslaafden een externe
‘locus of control’ hebben. ‘Zij worden
beheerst door hun sigaretten, hun drank en hun drugs en
zij zien zichzelf niet in staat om te stoppen met het
ongezond gedrag" aldus Mendelson en Mello. De
gevonden correlatie tussen ‘locus of control’ en het
roken is bijvoorbeeld niet significant (R = 0,0301; N =
82; P = 0,788). Verder is ook de correlatie tussen
‘locus of control’ en het aantal in de afgelopen week
gebruikte alcoholconsumpties verre van significant (R =
0,0032; N = 58; P= 0,981).
5.6
‘Social learning’
Hierna
worden een aantal hypothesen die betrekking hebben op
‘social learning’ getoetst.
(13)
Het gebruik van een genotmiddel is gecorreleerd met het
gebruik van dit middel door één of beide ouders.
De
gevonden correlaties zijn niet significant en deels juist
negatief (P > 0,05) (zie bijlage 23). Personen waarvan
één of beide ouders een bepaald middel gebruiken hebben
op basis van de analyse dus niet of nauwelijks een
verhoogde kans op het gebruik van dit middel.
Het
is natuurlijk opmerkelijk dat op basis van het gehouden
onderzoek naar voren komt dat kinderen niet de neiging
hebben het gedrag van hun ouders over te nemen, in de vorm
van roken of drinken, maar dat ze wel bepaalde
persoonlijkheidskenmerken meekrijgen (vooral ‘disinhibition).
Verder valt op dat het alcoholgebruik van de vader (R =
0,2259; P = 0,040) en het roken van de moeder (R = 0,3057
P = 0,004) positief en significant gecorreleerd zijn met
het ooit-XTC gebruik (en ook met ‘disinhibition; zie
hypothese 4). Hierdoor ontstaat de gedachte dat het gedrag
dat verbonden is met een bepaald persoonlijkheidskenmerk
(‘disinhibition’) mede afhankelijk is van de tijd
waarin men leeft. Het waarschijnlijk hoog scoren op
‘disinhibition’ deed de moeder in haar jeugd neigen
tot rookgedrag terwijl de zoon of de dochter als gevolg
van dit meegekregen persoonlijkheidskenmerk in de huidige
tijd neigt tot het XTC-gebruik.
(14)
Het gebruik van een genotmiddel is gecorreleerd met het
gebruik van dit middel door vrienden.
Deze
hypothese is juist. Alle gevonden correlaties zijn
positief en over het algemeen ook significant (P <
0,05) (zie bijlage 24). Iemand die een bepaald middel
gebruikt heeft dus de neiging bevriend te zijn met
personen die hetzelfde middel gebruiken.
(15)
Het gebruik van een genotmiddel is gecorreleerd met het
aantal mensen uit de omgeving dat dit middel gebruikt.
Gekeken
wordt naar het gebruik van vriend, vader, moeder, collega,
partner en broer of zus. Voor elk van de genoemde
onderdelen kan één punt behaald worden en zo kan
maximaal tot zes punten gekomen worden. Uit de analyse
blijkt dat alle gevonden correlaties positief zijn en voor
een deel ook significant (P < 0,05). Zie verder bijlage
25.
5.7
‘Zelfmonitoring’
Hierna
worden een aantal hypothesen die betrekking hebben op
‘zelfmonitoring’ getoetst.
(16)
‘Zelfmonitoring’ is positief gecorreleerd met
harddruggebruik.
Uit
de analyse zijn geen significante correlaties gebleken (P
> 0,05). Hierbij zijn 5 van de 9 correlatiecoëfficiënten
negatief (zie bijlage 26). Personen die hoog scoren op
‘zelfmonitoring’ hebben dus niet of nauwelijks een
verhoogde kans op het gebruik van harddrugs.
(17)
‘Zelfmonitoring’ is positief gecorreleerd met het
combineren van middelen.
Zelfmonitoring
is niet significant gecorreleerd (P > 0,05) met het
gebruik van enige combinatie van middelen en hierbij zijn
de gevonden correlaties deels negatief (zie bijlage 27).
(18)
‘Zelfmonitoring’ is positief gecorreleerd met de
snelheid waarmee van het ene naar het andere middel wordt
overgestapt.
Bij
14 van de 20 combinaties gaat deze hypothese niet op (zie
bijlage 28) en geen van de 6 overgebleven correlaties is
significant. Deze hypothese is dus in de meeste gevallen
onjuist en in de overige gevallen is de correlatie verre
van significant. Uit de analyse blijkt wel een
significante positieve correlatie (P < 0,05) tussen
zelfmonitoring en de tijd dat het duurt om van het eerste
gebruik van alcohol tot het eerste gebruik van cocaïne te
komen. Het vreemde is echter dat iemand die relatief hoog
scoort op zelfmonitoring, en dus goed is in het zich
aanpassen, de neiging heeft er lang over te doen om naar cocaïne
over te stappen. Klaarblijkelijk past deze persoon zich op
dit gebied niet zo snel aan. Verder blijkt dat de
overstaptijd van tabak naar cocaïne (R = 0,3167) en de
overstaptijd van softdrugs naar cocaïne (R = 0,3245) ook
positief gecorreleerd is met zelfmonitoring. Hierdoor
ontstaat het vermoeden dat zelfmonitoring positief
gecorreleerd is met de leeftijd waarop iemand met het
eerste gebruik van cocaïne begint. Bij nadere analyse
blijkt dit inderdaad het geval te zijn (R = 0,3306; N =
36; P = 0,049). Vreemd genoeg heeft iemand die relatief
hoog scoort op zelfmonitoring dus de neiging relatief laat
met cocaïne te beginnen.
(19)
Binnen de subgroep van personen die vrienden hebben die
harddrugs gebruiken is ‘zelfmonitoring’ positief
gecorreleerd met harddruggebruik.
Het
wel of niet gaan gebruiken van harddrugs door mensen die
vrienden hebben die harddrugs gebruiken hangt, zoals
hiervoor al is gebleken (zie stelling 7), mede af van de
mate waarin deze mensen bereid zijn nieuwe dingen te
proberen; de hoogte van de score op ‘experience seeking’.
Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de mate
waarin mensen zich aanpassen aan hun omgeving en dus
scoren op zelfmonitoring, ook invloed heeft op het
harddruggebruik van de genoemde groep. Er blijkt binnen
deze groep echter niet of nauwelijks een verband te zijn
tussen het ooit-harddruggebruik en ‘zelfmonitoring’ (R
= 0,0394; N = 49; P = 0,788). Klaarblijkelijk nemen mensen
die goede aanpassers zijn, in de zin van hoog scoren op
zelfmonitoring, niet automatisch het harddruggebruik van
hun vrienden over.
5.8
Demografische variabelen
Hierna
worden twee hypothesen die betrekking hebben op
demografische variabelen getoetst.
(20)
Het inkomen is positief gecorreleerd met de hoeveelheid
die van een middel wordt gebruikt.
Deze
hypothese is geformuleerd vanuit de veronderstelling dat
een gebruiker van een middel meer gaat gebruiken als hij
zich dit kan veroorloven; naarmate hij meer verdient.
Alleen bij tabakgebruik en softdruggebruik is sprake van
een positieve correlatie. Deze verbanden zijn echter niet
significant. Alleen het aantal cocaïneconsumpties is
negatief en significant gecorreleerd met de hoogte van het
inkomen (R = -0,7231; P < 0,05). Vreemd genoeg heeft
men de neiging meer cocaïne te gebruiken naarmate men
minder verdient (zie bijlage 29).
(21)
De leeftijd is negatief gecorreleerd met het combineren
van middelen.
Zuckerman
(1994) stelt dat polidruggebruikers de neiging hebben zich
op latere leeftijd te beperken tot het gebruik van één
drug. Vanuit die gedachte zouden mensen die meerdere drugs
gebruiken, en dus ook zij die middelen combineren,
relatief jong moeten zijn en dan zou natuurlijk de
leeftijd negatief gecorreleerd moeten zijn met het
combineren van middelen.
Voor
bijna alle combinaties van middelen geldt dat het gebruik
inderdaad negatief gecorreleerd is met de leeftijd, dit
met uitzondering van het gebruik van tabak in combinatie
met softdrugs (zie bijlage 30). Bij het combineren van
alcohol met softdrugs en van alcohol met XTC is de
correlatie met de leeftijd significant. Dit wil zeggen dat
relatief jonge personen de neiging hebben om deze middelen
te combineren.
Dit
lijkt strijdig te zijn met het gegeven dat een persoon
‘zwaardere’ middelen gaat gebruiken naarmate hij ouder
wordt. Iemand die combineert gebruikt over het algemeen
deze ‘zwaardere’ middelen en zou daarom juist relatief
oud moeten zijn. Na een bepaalde leeftijd gaan mensen
echter weer minder combineren. Dus eerst zoekt men steeds
sterkere middelen en gaat men ook in bepaalde gevallen
over tot het combineren en vervolgens heeft men weer de
neiging met het combineren te stoppen. Door het simpele
feit dat bij de gehouden steekproef vooral gekeken is naar
personen van 18 jaar en ouder, is ook vooral gekeken naar
het afnemend combineren. De periode waarin steeds
zwaardere middelen worden genomen, vooral tussen de 14 en
de 21 jaar, is ondervertegenwoordigd. Dit verklaart het
gevonden negatief verband tussen het combineren van
middelen en de leeftijd.
Iemand
die alcohol met XTC combineert is dus gemiddeld jonger dan
iemand die dit niet doet. Eerstgenoemde is gemiddeld 23,7
jaar oud en laatstgenoemde gemiddeld 29,0 jaar oud. Verder
is een persoon die alcohol met softdrugs combineert
gemiddeld 26,1 jaar en de overige personen zijn gemiddeld
31,0 jaar. Ter vergelijking is een recent XTC-gebruiker
gemiddeld 26,3 jaar oud terwijl een recent
alcoholgebruiker 26,4 jaar oud is en een recent
softdruggebruiker 28,0 jaar.
Samenvattend
is het combineren van alcohol met softdrugs en het
combineren van alcohol met XTC negatief en significant
gecorreleerd met de leeftijd van de gebruiker.
5.9
Regressieanalyse harddruggebruik
Met
behulp van regressieanalyse is vastgesteld of naast 'experience
seeking' en 'disinhibition' het softdruggebruik een eigen
effect heeft op het harddruggebruik. Dit blijkt inderdaad
het geval te zijn. Het harddruggebruik wordt dan deels
verklaard (R = 0,50053) uit ‘experience seeking’ (Sig
T = 0,0042), ‘disinhibition’ (Sig T = 0,0417) en
ooit-softdruggebruik (Sig T = 0,0410). Zie voor de
volledige regressieanalyse bijlage 33 analyse 6. Het
harddruggebruik kan ook verklaard worden (R = 0,49290) uit
'sensation seeking' (Sig T = 0,0000) en
ooit-softdruggebruik (Sig T = 0,0429). Zie voor de
regressieanalyse bijlage 33 analyse 5.
Op
basis van een statistische samenhang kan in eerste
instantie geen uitspraak gedaan worden over de
oorzakelijkheid van een verband. Dit kan alleen worden
gedaan op grond van theorieën. Aan de hand van de
volgende punten kan gesteld worden dat er zeer sterke
aanwijzingen zijn om aan te nemen dat softdruggebruik een
oorzaak is van harddruggebruik, te weten:
1.
Er is een significant en op zichzelf staand verband
aangetoond tussen softdruggebruik en harddruggebruik.
2.
In vrijwel alle gevallen is reeds ervaring met
softdrugs opgedaan voordat harddrugs worden genomen;
het harddruggebruik volgt dus op het softdruggebruik.
3.
Het is ook theoretisch verklaarbaar dat
softdruggebruik een oorzaak is van harddruggebruik;
denk aan ‘social learning’.
Samenvattend
verklaren ‘experience seeking’, 'disinhibition' en het
softdruggebruik op basis van de uitgevoerde
regressieanalyse, voor een deel het gebruik van harddrugs.
Hierbij zijn er zeer sterke aanwijzingen dat het om een
oorzakelijk verband gaat (zie ook paragraaf 3.4.2).
5.10
‘Stepping-stone’ theorie
Uit
bijlage 32 tabel 32.1 en 32.2 blijkt dat het
harddruggebruik, voor wat betreft dit onderzoek, altijd
volgt op het softdruggebruik. Ook blijkt (tabel 32.3) dat
een softdruggebruiker een relatief grote kans heeft op
harddruggebruik; een niet cannabisgebruiker 0% en een
cannabisgebruiker 45%, 44% en 6% voor de diverse middelen.
Alle respondenten die ooit harddrugs hebben genomen hebben
hiervoor dus altijd eerst softdrugs gebruikt. Ook dit
onderzoek bevestigd de eerder in hoofdstuk 2 getrokken
conclusie dat de ‘stepping stone’ theorie juist is.
Dit in de zin dat een cannabisgebruiker een sterk
verhoogde kans heeft ook harddrugs te gaan gebruiken.
Waar
het natuurlijk om draait is de vraag: is het
softdruggebruik ook een oorzaak van het harddruggebruik?
VWS gaat ervan uit dat harddruggebruik deels het gevolg is
van softdruggebruik en ook de uitgevoerde regressieanalyse
(paragraaf 5.9) geeft dit aan. Door het softdruggebruik
zou men in het ‘verkeerde’ milieu komen en doordat men
in het ‘verkeerde’ milieu zit leert men het
harddruggebruik; men spreekt dan van ‘social learning’.
Ook Becker geeft aan dat ‘social learning’ een rol
moet spelen bij het harddruggebruik (1953). Het zou immers
bijna ondenkbaar zijn dat iemand bijvoorbeeld cocaïne
gaat gebruiken zonder dat hij van anderen eerst wat zaken
heeft geleerd die betrekking hebben op dit gebruik. Vanuit
deze gedachte denkt het ministerie het overstappen van
soft- op harddrugs tegen te kunnen gaan door de verkoop
van beide middelen en zo ook de gebruikers ervan
gescheiden te houden; denk aan het coffeeshopbeleid.
Mogelijk
kan het ook zijn dat bij bepaalde softdruggebruikers, als
gevolg van attribuutverzadiging, nieuwsgierigheid of
verveling met de keuzetaak, een discrepantie tussen
‘optimum stimulation level’ (OSL) en ‘actual
stimulation level’ (ASL) ontstaat (zie ook paragraaf
3.4.3). Zo kunnen zij, als gevolg van een soort verveling,
tot het harddruggebruik overgaan.
Het
softdruggebruik heeft, zoals eerder aangegeven, een eigen
effect op het harddruggebruik. In de vorige twee
alinea’s zijn hiervoor twee mogelijke verklaringen
aangegeven, te weten:
-
‘Social learning’.
-
Een discrepantie tussen OSL en ASL.
Uit
het onderzoek komt echter naar voren dat bepaalde
persoonlijkheidskenmerken ook invloed hebben op ‘social
learning’, namelijk: ‘disinhibition’ en
‘experience seeking’. ‘Disinhibition’ heeft
bijvoorbeeld specifiek te maken met de neiging om
vriendschap te sluiten met harddruggebruikers en
‘experience seeking’ heeft te maken met de neiging tot
het overnemen van het harddruggebruik. Iemand die zowel
relatief hoog scoort op de dimensie ‘disinhibition’
als op de dimensie ‘experience seeking’ en als gevolg
hiervan ook hoog scoort op ‘sensation seeking’ heeft
dus een verhoogde kans op harddruggebruik.
Opmerkelijk
is dat het voorbeeld van de referentiegroep (‘observational
learning’) en ook de druk vanuit deze groep (‘social
reinforcement’) niet op iedereen hetzelfde effect heeft.
Iemand die vanuit zijn persoonlijkheid de neiging heeft
nieuwe dingen te willen proberen (hoog op ‘experience
seeking’) zal ook de neiging hebben het gebruik van zijn
vrienden te leren en over te nemen terwijl iemand die
vanuit zijn persoonlijkheid juist niet die neiging heeft
(laag op ‘experience seeking’) dit veel minder zal
doen.
Samenvattend
bevestigt dit onderzoek de juistheid van de ‘stepping
stone’ theorie. Hiernaast zijn er sterke aanwijzingen
dat softdruggebruik een oorzaak is van harddruggebruik. Er
is echter geen sprake van een automatisme; voor een deel
wordt het harddruggebruik immers verklaard uit
persoonlijkheidskenmerken en voor een deel is het niet
verklaard.
5.11
Conclusie
De
uitkomsten van het onderzoek zijn voor een deel een
bevestiging van andere onderzoeken (zie hoofdstuk 2),
zoals:
1.
‘Sensation seeking’ en ook de dimensies
‘disinhibition’ en ‘experience seeking’ zijn
positief en significant gecorreleerd met
harddruggebruik.
2.
‘Sensation seeking’ en ook de dimensies
‘disinhibition’ en ‘experience seeking’ zijn
positief en significant gecorreleerd met ‘variety
seeking’.
3.
Het gebruik van een genotmiddel is positief en veelal
significant gecorreleerd met het gebruik van dit middel
door vrienden.
Een
verband tussen het gebruik van een middel door de ouder(s)
en het gebruik van datzelfde middel door een kind, zoals
Mazur (1990) dit ziet, is echter niet gevonden. Ook blijkt
niet dat er een verband zou zijn tussen een externe
‘locus of control’ en een verslaving.
Uit
het onderzoek naar het belang van ‘zelfmonitoring’ bij
druggebruik komt vreemd genoeg vooral naar voren dat
‘zelfmonitoring’ hier weinig of geen invloed op heeft.
Het goed kunnen aanpassen aan de omstandigheden, en dus
hoog scoren op ‘zelfmonitoring’, wil bijvoorbeeld niet
zeggen dat ook een minder goede gewoonte als
harddruggebruik automatisch wordt overgenomen. Dit is
zelfs niet het geval als de respondent vrienden heeft die
harddrugs gebruiken. Samenvattend geeft hoog scoren op
‘zelfmonitoring’ niet of nauwelijks een verhoogde kans
op harddruggebruik, combineren van middelen, snel
overstappen naar nieuwe middelen of het overnemen van het
gebruik van vrienden.
Naast
de bevestiging van resultaten van andere onderzoeken en de
vaststelling dat, op basis van dit onderzoek,
‘zelfinonitoring’ geen invloed lijkt te hebben op het
druggebruik komen ook een aantal nog niet eerder gevonden
verbanden naar voren, zoals:
1.
’Sensation seeking’ en ook de dimensies
‘disinhibition’ en ‘experience seeking’ zijn
positief en deels significant gecorreleerd met het
combineren van middelen.
2.
Er is een positieve en significante correlatie gevonden
tussen ‘disinhibition’ en het combineren van alcohol
met softdrugs.
3.
Er is een negatieve en significante correlatie gevonden
tussen ‘disinhibition’ en de tijd die personen nodig
hebben om van het eerste gebruik van tabak tot het
eerste gebruik van softdrugs te komen.
4.
Er is een negatieve en significante correlatie
vastgesteld tussen ‘experience seeking’ en de
leeftijd waarop met het eerste alcoholgebruik wordt
begonnen.
5.
‘Sensation seeking’ en ‘disinhibition zijn
positief en significant gecorreleerd met het roken van
beide ouders.
6.
‘Sensation seeking’ en ‘disinhibition’ zijn ook
positief en significant gecorreleerd met het drinken van
beide ouders.
7.
‘Sensation seeking’ en ook de dimensies
‘disinhibition’ en ‘experience seeking’ zijn
positief en significant gecorreleerd met het aantal per
week gebruikte alcoholconsumpties.
8.
‘Experience seeking’ is positief en significant
gecorreleerd met het aantal per week gebruikte
sigaretten.
9.
Het combineren van alcohol met softdrugs is negatief en
significant gecorreleerd met de leeftijd.
10.
Het combineren van alcohol met XTC is ook negatief en
significant gecorreleerd met de leeftijd.
11.
Het harddruggebruik wordt deels en significant verklaard
uit het softdruggebruik.
12.
‘Disinhibition’ en in mindere mate ‘sensation
seeking’ zijn positief en significant gecorreleerd met
het hebben van vrienden die harddrugs gebruiken
harddrugs gebruiken.
13.
‘Experience seeking’ en ‘sensation seeking’ zijn
positief en significant gecorreleerd met het gebruik van
harddrugs binnen de subgroep van personen die
harddruggebruikende vrienden heeft.
Vooral
opmerkelijk zijn de punten 12 en 13. Er is namelijk een
persoonlijkheidskenmerk gevonden dat invloed heeft op het
wel of niet bevriend zijn met harddruggebruikers. Op basis
van de analyse blijkt dat personen die relatief hoog
scoren op ‘disinhibition’ hier meer de neiging toe
hebben dan personen die relatief laag scoren. Vervolgens
is vastgesteld dat binnen deze groep niet iedereen
evenveel kans heeft op het ook zelf daadwerkelijk gaan
gebruiken van harddrugs. Het is namelijk duidelijk dat een
ander persoonlijkheidskenmerk hier weer onmiskenbaar
invloed op heeft, namelijk ‘experience seeking’ (en
niet ‘zelfmonitoring’). Personen die relatief hoog
scoren op dit kenmerk lopen ook een verhoogd risico op
harddruggebruik.
|